Computer/Law Institute

Vrije Universiteit, Amsterdam

Nederlands

Rik W. Kaspersen
De nieuwe TelecomwetH.W.K. Kaspersen, Schriftelijke leergang Nieuwe Telecomwet. Broadcast Press, Hilversum, 2004.

ICT en strafrecht

Prof. Mr. H.W.K. Kaspersen[1]

1. Ten geleide

1.1. Opzet van dit cursusonderdeel

Als titel voor dit onderdeel heb ik niet gekozen voor ‘Telecommunicatie en strafrecht’ of dergelijke, omdat ik daarmee een vlag zou hebben gekozen die de lading die ik u mee wil meegeven slechts ten dele zou dekken. De organisatie van het hedendaagse maatschappelijke verkeer is ondenkbaar zonder telecommunicatie, maar op zijn beurt is de hedendaagse telecommunicatie ondenkbaar zonder de moderne communicatietechnologie. Met de komst van grootschalige, globale netwerken, zoals het internet, maakt men dan ook geen onderscheid meer tussen informatietechnologie en communicatietechnologie maar vat ze in een term samen tot ICT. Die stap neem ook ik gaarne in dit cursusonderdeel.

Grootschalige toepassing van ICT heeft grote invloed op het karakter en de inrichting van het maatschappelijke verkeer. Zoals in de voorgaande delen van deze leergang besproken heeft dat geleid tot aanpassing van wet- en regelgeving. Het strafrecht vormt hier geen uitzondering. De veranderingen op het strafrecht tengevolge van ICT zijn tweeërlei. Het strafrecht dient immers te worden onderscheiden in het materiële en het formele strafrecht. Het materiële strafrecht definieert welke vormen van maatschappelijk ongewenst gedrag met straffen worden bedreigd (norm). Het formele strafrecht geeft de regels die moeten worden gevolgd om de dader van een strafbaar feit een door de wet aangewezen straf op te leggen (instrument). In andere woorden, het formele strafrecht regelt de opsporing en de vervolging van strafbare feiten. In een leergang telecommunicatie dienen beide aspecten aan de orde te komen. Dit cursusonderdeel is daarom opgebouwd uit de volgende onderdelen:

a)      Deze inleiding met enkele beschouwingen van algemene aard (paragraaf 1)

b)      Materieel-rechtelijke aspecten: bespreking van de delicten die onder met het begrip cyber crime worden begrepen en waarbij het bestaan van netwerken voor het plegen ervan een bepalende rol spelen. (paragraaf 2).

c)      Materieel-rechtelijke aspecten: delicten die specifiek kunnen worden worden gepleegd door aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en – diensten. Deze delicten betreft de strafrechtelijke sanctionering van het niet-nakomen van verplichtingen onder de telecommunicatiewetgeving (paragraaf 3).

d)      Strafvorderlijke aspecten: bespreking van de bevoegdheden die door de opsporingsorganen in verband met het onderzoek van ICT kunnen worden uitgeoefend en eventuele de rol die aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en –diensten daarbij spelen (paragraaf 4).

e)      Enkele opmerkingen over internationale rechtshulp in verband met opsporing van grensoverschrijdende criminaliteit (paragraaf 5).

f)       Slotopmerkingen (paragraaf 6).

Het menu laat zien dat het accent ligt op wetgeving. Aan andere belangrijke en interessante onderwerpen kan in dit kader geen aandacht worden besteed. Zo ontbreekt een bespreking van strafrechtelijke bewijsaspecten. Ook handhaving en internationale samenwerking vallen buiten het hier behandelde kader.

Voor naslag zijn bij dit cursusonderdeel enkele tekstbijlagen van wetsteksten en wetsvoorstellen gevoegd. Deze volgen na de laatste paragraaf.

1.2 Begrippenkader

Hierboven is het begrip cyber crime opgevoerd. In de relatieve oudheid van de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw hanteerde men daarvoor nog de term ‘computercriminaliteit’. Dit begrip ontstond in de USA. Computers hebben zich echter sindsdien ontworsteld aan het gebruik van de ponskaart als de voornaamste gegevensdrager en invoermedium. Bovendien zijn stand alone systemen vandaag de dag eerder uitzondering dan regel. Computing geschiedt meestentijds in de vorm van networking. Telecommunicatie is daarbij een onmisbare factor. De informatietechnologie was aan de andere kant onmisbaar voor de ontwikkeling van telecommunicatie en telecommunicatie zonder IT is niet meer voorstelbaar. Gezien de verdere ontwikkeling van mobiele communicatievormen en de integratie met computernetwerken, bijvoorbeeld door middel van I-mode en UTMS-toepassingen, ligt het voor de hand de gezamenlijke technologie als ICT aan te duiden. In lijn daarmee zou men criminaliteitsvormen in verband met ICT als ICT-criminaliteit kunnen aanduiden, maar aangezien dat een weinig aansprekende term is heeft die niet mijn voorkeur. Met de komst van internet , waaraan men graag refereert met de populaire term cyber space is de term cyber crime of ‘cybercriminaliteit’ in zwang gekomen. Ik zal deze hierna eveneens gebruiken. Vooral in de Amerikaanse literatuur verstaat men onder cyber crime vrijwel iedere schadelijke of ongewenste handeling verstaat die in het ruimste verband met internet wordt begaan: cyberterrorisme, cybersamenzwering, cyberstalking, domain name squatting, etc. Ten behoeve van de onderstaande strafrechtelijke beschouwingen is enige inperking en structurering van wat in strafrechtelijke zin onder cyber crime moet worden verstaan geen overbodige luxe.

1. 3. Cyber Crime

Het begrip cyber crime is net als zijn voorganger ‘computercriminaliteit’ een zgn. containerbegrip, een verzamelterm voor vele, uiteenlopende gedragingen. Wat er precies onder moet worden verstaan hangt bovendien ten nauwste samen met de (wetenschappelijke) discipline die zich van het begrip bedient. Een beveiligingsexpert staat wanneer hij de term ‘computercriminaliteit’ gebruikt iets anders voor ogen dan de verzekeringsdeskundige en dat geldt evenzeer voor andere deskundigheden die met computercriminaliteit van doen hebben als de e.d.p.-auditor, de criminoloog, de strafrechtjurist of de wetgevingsjurist. Zij kiezen een betekenis en definitie die het beste bij hun professionele invalshoek past. Men zal zich van dit gegeven steeds bewust moeten zijn, vooral bijvoorbeeld in verband met statistisch materiaal.

Voor strafrechtjuristen rijzen er in verband me cyber crime twee belangrijke vragen. De eerste is van rechtspolitieke aard en luidt: Welke maatschappelijk ongewenste gedragingen doen zich in verband met ICT voor en inhoeverre dient het materiële strafrecht met het oog daarop te worden gewijzigd of aangevuld? Niet alle ongewenste gedraginging vragen aanstonds om een specifieke strafbepaling. De rechter is vaak goed in staat om nieuwe typen gedragingen onder bestaande delictsomschrijvingen te subsumeren. Bovendien wordt nog al snel om het strafrecht geroepen waar andere minder belastende handhavingsmogelijkheden voorhanden zijn. Het strafrecht behoort tenslotte ultimum remedium te zijn.

Van cyber of computer crime zijn in de loop der tijd de nodige indelingen en definities verschenen. De meest recente categorisering is die uit het zgn. Cyber Crime verdrag van de Raad van Europa.[2] Dit verdrag onderscheidt de volgende categorieën:

a) Cyber crime in enge zin. Het verdrag gebruikt de term c.i.a.-delicten. C.I.A. is een afkorting die staat voor een drietal kernbegrippen uit de informatiebeveiliging: confidentiality, integrity, availability. C.I.A.-delicten zijn er op gericht deze normen/waarden te doorbreken.  Tot deze categorie behoren:

·         Het zich wederrechtelijk onbevoegd toegang verschaffen tot een computersysteem;

·         Het wederrechtelijk onderscheppen van gegevensverkeer.

·         Het wederrechtelijk wijzigen, wissen of ontoegankelijk maken van gegevens die door een computersysteem worden verwerkt.

·         Het wederrechtelijk verstoren van de goede werking van een computersysteem.

Tot deze categorie behoren poging en medeplichtigheid met betrekking tot een van deze delicten. Ook behoort daartoe het ververvaardigen en ter beschikking stellen van instrumenten, programmatuur of codes die bestemd zijn tot het plegen van een van deze delicten.

b) Cyber crime in brede zin:

·         Computergerelateerde criminaliteit: fraude en valsheden in verband met ICT. Deze categorie omvat bijvoorbeeld fraude met behulp van elektronische betaalmiddelen maar bijvoorbeeld ook oplichting via internet.

·         Delicten op het gebied van het auteursrecht en naburige rechten in verband met ICT.

·         Inhoud-gerelateerde delicten. Hiertoe behoren delicten als de uitings- en verspreidingsdelicten in verband met ICT. Het verdrag noemt de elektronische productie en verspreiding van kinderporno.[3] Hieronder kunnen tevens typische internet-delicten worden gebracht als het aanbieden van illegale kansspelen of van producten waarvan het aanbod onderhevig is aan nationale beperkingen.

In de paragraaf over het materiële cyberstrafrecht is een tabel opgenomen van de met de opsomming corresponderende bepalingen in het Nederlandse materiële strafrecht.

1.4 Opsporing

 

De tweede belangrijke vraag is in hoeverre de bestaande strafvorderlijke bevoegdheden en voorzieningen toereikend zijn om bewijs van strafbare feiten te vergaren in wat ik zou willen noemen een ICT-omgeving? Deze strafbare feiten zijn niet alleen de specifieke cyberdelicten maar betreffen ieder delict voor de opsporing waarvan onderzoek nodig is in computersystemen, computernetwerken of andere ICT-gebaseerde voorzieningen. Het traditionele formele strafrecht onderscheidt, als het om bewijs gaat, tussen verklaringen die door de verdachte of een getuige worden gedaan, en voorwerpen die ten behoeve van de strafvordering in beslag genomen kunnen worden en op deze wijze aan de beschikking van de betrokkene kunnen worden onttrokken. Dat is bij computernetwerken zonder zeer ingrijpende maatregelen niet mogelijk en daarom zijn daarvoor aparte bevoegdheden nodig.

Het ten behoeve van de strafvordering te vergaren object wordt hier gevormd door de data zoals deze worden verwerkt, opgeslagen of overgedragen met behulp van computersystemen. Het Wetboek van Strafvordering (hierna WvSv) voorziet in bevoegdheden die toepassing vinden indien de betrokkene aan het onderzoek geen medewerking verleent. Ten aanzien van het vergaren van data – als bewijs of als sporen dan wel inlichtingen voor verder onderzoek – zijn er twee typen bevoegdheden. Aan de ene kant kunnen worden genoemd de bevoegdheden die ten doel hebben het vergaren van gegevens die voorwerp zijn van een geautomatiseerde verwerking. Deze gegevens bevinden zich binnen de grenzen van een computersysteem, meestal in opgeslagen vorm. Aan de andere kant zijn er de bevoegdheden die ten doel hebben het onderscheppen en vergaren van gegevens die door middel van openbare telecommunicatiesystemen tussen communicerende partijen worden uitgewisseld. De toepassing van deze laatste bevoegdheid onttrekt zich aan de waarneming van de betrokkenen en dient daarom met extra waarborgen te worden omgeven.

 

1.5 Wetgeving

 

In Nederland is al in een vroeg stadium onderkend dat het Wetboek van Strafrecht (hierna WvSr) niet voldoende was toegerust op delicten die wij thans onder het verzamelbegrip cybercriminaliteit nader zullen beschouwen. Ook is al in een vroeg stadium erkend dat de bestrijding van een specifieke, technisch geaarde vorm van criminaliteit niet alleen expertise bij de opsporings- en ver­volgingsinstanties vereist, maar ook de behoefte aan specifieke dwangmiddelen en pro­cedures dan wel aanvulling van de bestaande met zich meebrengt. De Wet Computercriminaliteit[4] vulde daarom het WvSr aan met een aantal cyberdelicten en het WvSv met een aantal computerbevoegdheden. Deze wet werd voorafgegaan door een uitgebreid adviesrapport [5] dat onder meer een zgn. leemteanalyse van het Nederlandse strafrecht bevatte in verband met wat toen nog computercriminaliteit of computer-gerelateerde criminaliteit werd genoemd. Het uitgangspunt dat het bij computercriminaliteit gaat om aantasting van genoem­de beschikbaarheid, integriteit en exclusiviteit, vinden wij in het hierboven genoemde verdrag terug bij cybercriminaliteit in enge zin, nadat deze Nederlandse opvatting in een van de aan het verdrag ten grondslag liggende documenten was gesignaleerd.[6] Sinds de Wet Computercriminaliteit hebben deze gedeeltelijke nieuwe bepalingen geen wijziging ondergaan. Wel is aanpassing gevolgd van begrippen die aan de vigerende telecommunicatiewetgeving waren ontleend. Ten tijde van de invoering van de Wet Computercriminaliteit was nog de Wet Telecommunicatievoorzieningen van kracht. De term “telecommunicatie“ zoals deze in die wet werd gebruikt is overgenomen in de relevante bepalingen van het WvSr en het WvSv. Met de Telecommunicatiewet van 1998[7] is dit vervangen door het begrippenpaar ‘telecommunicatienetwerk en telecommunicatiedienst’. Wat betreft het materiële strafrecht staan echter twee meer omvangrijke wijzigingen voor de deur. Eerst moet worden genoemd het wetvoorstel dat onder de naam Computercriminaliteit II door het leven gaat.[8] Dit wetsvoorstel bevat een aantal aanvullingen, reparaties en verbeteringen van de materieel-strafrechtelijke bepalingen. Het is tevens de implementatie van een aantal beginselen op strafvorderlijk terrein zoals vastgelegd in de aanbeveling van de Raad van Europa uit 1995.[9] Dit wetsvoorstel heeft een wat moeizame geschiedenis. Een belangrijk deel wordt ingenomen door een regeling rond de strafrechtelijke (niet-)aansprakelijkheid van  internet-providers. Deze regeling werd doorkruist door de in beginsel civielrechtelijke (niet-)aansprakelijkheidsregeling zoals deze later onderdeel van de EU e-commerce richtlijn zou uitmaken. Op grond van de toepasselijke Europese regels gold voor het Nederlandse wetsvoorstel dan ook een stand still en bleek invoering van een afzonderlijke strafrechtelijke regeling na het definitief worden van de e-commerce richtlijn niet mogelijk. Dit onderdeel van het wetsvoorstel is door de minister van Justitie dan ook ingetrokken.[10] Opvallend verschil tussen de Europese en de Nederlandse regeling is de wel erg ruimhartige aansprakelijkheidsuitsluiting in het eerste geval. Zoals wel vaker gebeurt zal er ook op Europees niveau nog wel eens over worden gedebatteerd. Met het oog op het totstandkomen van het Cyber Crime Verdrag is de behandeling van het wetsvoorstel door de minister voor het overige aangehouden. In de loop van 2004 zal de behandeling worden voortgezet. De verdere inhoud van het wetsvoorstel zal niet op grote bezwaren stuiten zodat het naar alle waarschijnlijkheid in de eerste helft van 2005 tot wet kan worden verheven.

 

Een tweede belangrijke wijziging komt voort uit het al eerder genoemde Cyber Crime verdrag. Dit verdrag heeft als uitgangspunt de twee aanbevelingen van de Raad van Europa. Ter implementatie van dit verdrag zal de Nederlandse strafwet op onderdelen moeten worden aangepast. Wijzigingen kunnen worden verwacht in het WvSr, maar ook in het WvSv, zowel ten aanzien van daarin opgenomen bevoegdheden als ten aanzien van de verlening van rechtshulp aan andere staten. Deze wijzigingen zullen onderdeel uitmaken van een apart wetsvoorstel dat ik informeel als Computercriminaliteit III aanduid en dat niet eerder dan in de loop van het voorjaar aan de Raad van State zal worden gezonden en dus vermoedelijk niet voor de tweede helft van 2005 in het Staatsblad kan verschijnen.

 

Naast deze wetswijzigingen die hun oorsprong in Straatsburg vinden moet ook worden gewezen op de zgn. derde pijler van de Europese Unie als bron van regelgeving. Door middel van zogenaamde bindende raamwerkbesluiten zoeken de lidstaten naar verdere harmonisatie van het in het Cyber Crime verdrag bepaalde. Deze raamwerkbesluiten dienen vervolgens binnen de daarvoor geldende termijn te worden geïmplementeerd. Voor zover van kracht zullen deze worden meegenomen in het wetsvoorstel CCIII, met uitzondering van het raamwerkbesluit betreffende de niet-contante betaalmiddelen dat onderwerp is van een zelfstandig wetsvoorstel.[11]

 

Van Europese oorsprong is verder het Europese Rechtshulpverdrag dat hier vermelding behoeft vanwege de bijzondere regeling rond het doorgeleiden van af te tappen telecommunicatie. Deze regeling is inmiddels van kracht.[12] Tot slot moeten nog worden genoemd de algemene herzieningen van met name het WvSv, bestaande in de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden[13] en Wet Herziening Gerechtelijk Vooronderzoek[14] die ook de computerbevoegdheden hebben beïnvloed.

 

Tot slot zij gewezen op de recent tot standgekomen wet ‘Vorderen gegevens telecomunicatie’ die wijzigingen aanbrengt in het Wetboek van Strafvordering en de Telecommunicatiewet.[15]

 

In de bijlage bij dit onderdeel vindt U de wetsteksten van de computerbepalingen, zoals deze met de Wet Computercriminaliteit van 1993 in het WvSr en het WvSv werden ingevoerd en sindsdien zijn gewijzigd, de (gedeeltelijke) tekst van het wetsvoorstel Computercriminaliteit II en de tekst van het wetsvoorstel Vorderen gegevens telecommunicatie.


 

2. Het materiële cyberstrafrecht

 

2.1 Uitgangspunt in de wet van 1993.

 

Het vertrekpunt van de Commissie Computercriminaliteit van 1987 was dat gegevens – als voorwerp van een verwerking door computersystemen om een aantal redenen niet vereenzelvigd konden worden met het strafrechtelijke vermogensobject ‘goed’ zoals dat in de bepalingen van het vermogensstrafrecht wordt gebruikt. De commissie nam daarmee duidelijk stelling in de met grote hevigheid en enthousiasme in de strafrechtelijke literatuur gevoerde discussie. De tegenovergestelde opvatting werd door het Arnhemse Hof aangehangen met zijn arrest van 27 oktober 1983. Het hof achtte in die zaak verduistering van computergegevens mogelijk. Met zijn motivering greep het hof terug op de argumentatie van het Elec­triciteitsarrest 1923 waarin de Hoge Raad een afgetapte hoeveelheid elektriciteit aanmerkte als een goed in de zin van art.310 Sr. In de onderhavige zaak ging het om een geval van bedrijfsspionage. De verdachte (een programmeur) maakte van het softwarepakket van de onderneming waar hij werkte een kopie op een aan een concurrerend bedrijf toebehorend schijvenpakket en verschafte het concurrerende bedrijf zo de beschikking over dit pakket. Tevens ging de programmeur in dienst bij het laatste bedrijf. De lopende arbeidsovereenkomst van de programmeur bood voor deze situatie geen soelaas – men zou denken aan een concurrentiebeding – en aan een actie uit onrechtmatige daad wegens oneerlijke mededinging werd kennelijk niet gedacht. Kennelijk moest de oplossing van het strafrecht komen. De rechtbank zag er niets in maar het hof overwoog dat “de onderhavige computergegevens het karakter dragen van overdraagbaarheid, reproduceerbaarheid en beschikbaarheid, terwijl zij bovendien economisch waardeerbaar zijn”. Nu zou het hof wellicht meer medestanders hebben gevonden indien het had gesproken over een gestructureerd geheel van computergegevens, vormende een (exemplaar van een) softwarepakket. Van een softwarepakket kan men zich nu eenmaal gemakkelijker voorstellen dat het een economische waarde heeft, dat er meerdere exemplaren van kunnen bestaan en dat twee exemplaren tweemaal zo veel waard zijn als een exemplaar. De term ‘computergegevens’ is daarvoor te abstract. Het zijn ook niet deze gegevens die in het maatschappelijke verkeer worden overgedragen maar weergave ervan die op een stoffelijk object van de drager is vastgelegd. Over deze drager heeft een bepaalde persoon de beschikking terwijl andere personen dat niet hebben. Gegevens zijn echter “multipel”.Vele mensen kunnen tegelijkertijd de beschikking hebben over de­zelfde gegevens.[16] Wegnemen of toe-eigenen van com­putergegevens als zodanig (los van het medium waarop deze zijn opgeslagen), in de zin dat deze uit de feitelijke heerschappij van het slachtoffer verdwij­nen, behoort daarmee niet tot de mogelijkheden.[17] Met de Wet van 1993 heeft de wetgever deze conclusie overgenomen en voorzien in aparte strafbepalingen rond computergegevens. Eerst in 1996 vond de Hoge Raad de gelegenheid gekregen vast te stellen dat computergegevens geen ‘goederen’ zijn.[18]

2.2 De individuele strafbepalingen

In de tekstbijlagen zijn de bepalingen, zoals deze oorspronkelijk met de wet van 1993 in het WvSr en het WvSv werden ingevoerd en zoals zij sindsdien zijn gewijzigd, bijeengeplaatst. Voor de bespreking van de strafbaarstellingen moge ik teruggrijpen op de categorieën cyber cime zoals deze zijn gegeven in het Cyber Crime Verdrag van 2001. Achtereenvolgens worden hier besproken de categorieën CIA, computergerelateerd, intellectuele eigendom en inhoud-gerelateerd. zoals deze thans en in de zeer nabije toekomst onderdeel van het Nederlandse materiële strafrecht zullen uitmaken.

2.2.1 Gemeenschappelijke definities

Met de wet van 1993 werden op uitdrukkelijke wens van het parlement in het WvSr twee definities ingevoegd. De eerste omschrijft wat moet worden verstaan onder een computersysteem. Art. 80sexies Sr spreekt van een inrichting (lees: apparaat, voorziening) bestemd voor de verwerking en opslag van gegevens langs elektronische weg. Art. 80quinquies Sr definieert het begrip gegevens, waarvoor inspiratie gezocht werd bij de bekende ISO-definitie. Beide definities zijn inhoudelijk niet correct. In art. 80sexies Sr ontbreekt de bij computersystemen zo belangrijke overdrachtsfunctie. In art. 80quinquies maakt de aanwezigheid van het element al dan niet voor een opsomming van de kenmerken deze definitie zinledig. Verder is de redactie van de individuele computerstrafbepalingen niet afgestemd op de aanwezigheid van aparte definities waardoor inconsistenties ontstaan. Met wetsvoorstel Computercriminaliteit II (26 671) wordt een en ander hersteld.

Genoemde definities zouden ook onderdeel dienen uit te maken van het WvSv dat immers een eigen definitietitel (VI) heeft in het eerste boek. Een verwijzing naar artt. 80quinquies en 80sexies Sr zou daar op zijn plaats zijn.

Een geautomatiseerd werk kan volgens de (gerepareerde) definitie vele zaken omvatten. Het sluit microprocessoren in, intelligente randapparatuur, polscomputers, laptops, PC’s, servers, maar ook bijvoorbeeld mobiele telefoonsets voor zover de werking op microprocessoren berust. Duidelijk is dat ook zgn. intelligente randapparatuur onder het begrip geautomatiseerd werk valt en dat is niet anders voor een met een SIM-kaart gelaten mobiele handset.

Bij gegevens volgt men de ISO-definitie die gegevens neerzet als een weergave van informatie die zowel door de mens als door computersystemen kan worden verwerkt.

2.2.2 CIA-delicten

 

2.2.2.1 Computervredebreuk

 

Art. 138a Sr richt zich tegen het inbreken in computersystemen (‘hacking’). De bepaling is geredigeerd naar analogie van de huisvredebreuk in art. 138 Sr, hetgeen de plaats van de bepaling verklaart en tevens het gebruik van de term ‘computervredebreuk’. Volgens het eerste lid van art. 138a Sr is schuldig aan computervredebreuk is hij die opzettelijk wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens, of een deel daarvan. Uit het wetsvoorstel CCII leren we dat tussen ‘opzettelijk’en ‘wederrechtelijk’ in de wetstekst het woordje ‘en’ is weggevallen.[19] De opzet dient immers niet op de wederrechtelijkheid gericht te zijn maar op de daarna volgende elementen van de delictsomschrijving. De strafbare dader dient (a) enige beveiliging te doorbreken, of (b) zich de toegang te verwerven verwerft door een technische ingreep, met behulp van valse signalen of een valse sleutel dan wel door het aannemen van een valse hoedanigheid. 

Over wat onder een beveiliging moet worden verstaan blijkt niet de wet of de toelichting. In het algemeen kan men stellen dat in dit verband als beveiliging moet worden gezien ieder maatregel of samenstelsel van maatregelen gericht tegen het onbevoegd verkrijgen van toegang tot het geautomatiseerde werk. Over de kwaliteit en de effectiviteit van de maatregel(en) spreekt de wet zich niet uit. Het gaat er dan ook om dat het de dader kenbaar is dat hij zich toegang verwerft tot een computersysteem en dat hij daartoe niet gerechtigd is. Een zeer gebruikelijke beveiliging is het zich aanmelden als gebruiker en vervolgens het invoeren van het bijbehorende wachtwoord. Daarnaast geeft de wetgever nog een aantal niet limitatief opgesomde mogelijkheden om een systeem onbevoegd binnen te gaan die soms gelijk staan aan het doorbreken van een beveiliging maar soms zelfstandige betekenis hebben in de vorm van het omzeilen van een beveiliging. Art. 138a Sr noemt het zich de toegang verschaffen door middel van een technische ingreep, met behulp van valse signalen of een valse sleutel dan wel door het aannemen van een valse hoedanigheid. De laatste twee voorbeelden zien op het gebruik van op zich werkende toegangsmethoden tot het gebruik waarvan de houder echter niet bevoegd is. Hieronder valt bijvoorbeeld het gebruik van een computerprogramma dat wachtwoorden genereert en deze achtereenvolgens op hun geldigheid toetst [20] of het onbevoegde gebruik van eens anders wachtwoord.[21]

Art. 138a, eerste lid Sr spreekt ook van ‘een deel van een geautomatiseerd werk’. Toegang tot bepaalde fysieke onderdelen van het computersysteem of gegevensbestanden kunnen op hun beurt tegen onbevoegde toegang of gebruik beveiligd zijn. Een dader kan ondanks het feit dat hij rechtmatig toegang tot de computer heeft verkregen, ten aanzien van die delen of bestanden het strafbare feit van art. 138a Sr begaan.

De wetgever heeft het enkele rondkijken in een computersysteem weliswaar strafbaar gesteld maar niet aangemerkt als een ernstig delict. Dat is anders met de gedragingen in het tweede en derde lid van 138a Sr die gekwalificeerde vormen van computervredebreuk beschrijven en deze vormen met een aanzienlijk hogere straf bedreigen. Het derde lid ziet op computervredebreuk gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk indien de dader (a) met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk of (b) door tussenkomst van het geautomatiseerde werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerde werk van een derde. Het derde lid onder a doelt op een situatie dat iemand in een particuliere computer, dus een computer die niet ter beschikking staat van het publiek, na hacking gebruik maakt van diensten (systeemfuncties of aanwezige applicatieprogrammatuur) waarvoor in andere gevallen bijvoorbeeld zou moeten worden betaald. Het bepaalde in lid 3 onder b heeft betrekking op de toegang tot de computer van een derde na een geslaagde hacking. Computers die zijn aangesloten op een netwerk kunnen ook toegang geven tot netwerken van weer andere beheerders via vaste of geschakelde verbindingen. Daarvoor is niet vereist dat een beveiliging van de tweede computer wordt doorbroken.

 

2.2.2.2 Aftappen en opnemen van dataverkeer

 

Een van de conclusies uit het voorbereidende rapport van 1987 was dat het onderscheid tussen klassieke telefonie en andere vormen van elektronische communicatie aan het verdwijnen was. Door de integratie van informatietechnologie en telecommunicatie zijn typen van gegevensoverdracht en ‑uitwisseling, zoals gesprekken, gegevensoverdracht tussen computers, omroep via kabels e.d., technisch steeds minder te onderscheiden. Via een en hetzelfde middel (kabels en straalverbindingen) lopen de diverse soorten gegevens in eenzelfde gedigitaliseerde vorm. Als uitwerking van het grondwettelijke telefoon- en telegraafgeheim van art. 13 tweede lid GW kende het WvSr verschillende (beschermende) strafbepalingen, zoals art. 139c-e Sr, art. 371bis Sr en art. 441 en 441a Sr. De wet van 1993 breidt de werking van genoemde bepalingen uit tot iedere vorm van dataverkeer. Tevens werden de bepalingen van art. 139a en 139b Sr in deze wijziging meegenomen, zodat het niet-verbale uitwisselen van gegevens tussen een gebruiker en zijn computersysteem of communicatieapparatuur eveneens wordt beschermd.

 

Art. 139c Sr werd in 1971 in het WvSr opgenomen. Behalve door de Wet van 1993 werd het artikel nog een aantal malen gewijzigd. Een deel hiervan vond zijn oorzaak in de wijzigingen van het begrippenapparaat in de telecomwetgeving, andere in de invoering van de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV). Tot de komst van deze laatste wet was de bevoegdheid tot het afluisteren en opnemen van telecommunicatie door deze diensten slechts vorm gegeven in de vorm van een strafuitsluitingsgrond in het derde lid van art. 139c Sr. Ik behandel art. 139c Sr daarom alleen naar de huidige formulering.

 

Kern van het strafbaargestelde handelen is het door middel van een technisch hulpmiddel aftappen of  opnemen van een gegevensverkeer dat plaats vindt als in een openbaar telecommunicatienetwerk dan wel onderdeel is van een openbare telecommunicatiedienst. Er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen de aard van het netwerk of de aard van de dienst. Uit de telecommunicatiewet wordt duidelijk dat ook het internetverkeer door deze bepaling wordt beschermd. Aangezien een openbaar telecommunicatienetwerk eindigt op het zgn. aansluitpunt (zie art. 1.1 Tw) sluit de bepaling ook gegevens in die door middel van op de telecommunicatiestructuur aangesloten randapparatuur worden overgedragen. Het afluisteren van een telefoongesprek door middel van een technisch hulpmiddel is dus niet alleen strafbaar in het netwerk zelf, maar ook achter het aansluitpunt, bijvoorbeeld bij een huistelefooncentrale of een computersysteem. De strafbaarheid treedt in indien de betreffende gegevens niet (mede) bestemd zijn voor de dader of voor degene in wiens opdracht hij van de communicatie kennisneemt. Derhalve is niet strafbaar degene die als deelnemer aan de communicatie daarvan een vastlegging maakt. Van medebestemming is bijvoorbeeld sprake bij een telefonische vergadering. Deze formulering is duidelijker dan de oude, negatief geformuleerde beperking die nog in art. 139a en 139b Sr figureert. Uiteraard dient het aftappen/opnemen opzettelijk te geschieden.

Het tweede lid geeft een aantal gevallen waarop het eerste lid niet van toepassing is. De eerste doet recht aan het beginsel van de vrije ether door het tappen of opnemen van door middel van een radio‑elektrische ontvanginrichting ontvangen gegevens uit te zonderen, tenzij de dader om de ontvangst mogelijk te maken een bijzondere inspanning heeft geleverd of daartoe een niet toegestane ontvanginrichting heeft gebruikt. Zo is niet strafbaar het afluisteren en/of opnemen door derden van het (een deel van het) verkeer tussen mijn telefoon in huis en het bijbehorende basisstation. Wel wordt het strafbaar indien de afluisterapparatuur rekening probeert te houden met de frequentiewisselingen ten behoeve van dit verkeer waarmee men nu juist het verkeer beoogt te beveiligen. Als bijzondere inspanning geldt zeker het koppelen van een drietal semafoonontvangers om het gehele Nederlandse verkeer te kunnen opvangen.[22] Van de tweede uitzondering is een voorbeeld de controle van het telefoonverkeer door werkgevers. Zij nemen niet aan de communicatie deel, het verkeer is niet voor hun persoon bestemd maar in het kader van toezicht op de werkzaamheden moeten zij in voorkomende gevallen kunnen ‘meeluisteren’. Zij worden wel strafbaar in geval van kennelijk misbruik, te verstaan als het overschrijden van de grenzen van wat maatschappelijk onder behoorlijk toezicht moet worden verstaan. De derde groep uitzonderingen betreft verschillende actoren: a) de aanbieders van telecommunicatienetwerken en - diensten die de werking van hun systemen moeten kunnen testen. Het komt mij niet al te ingewikkeld voor om te onderscheiden tussen het testen en het (systematisch en gericht) aftappen en opnemen van individueel gegevensverkeer. b) de opsporingsambtenaren die aftappen en opnemen ten behoeve van opsporingsonderzoek, zie hiervoor het strafvorderlijk deel, en c) de ambtenaren van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten ter uitvoering van de onder de WIV gegeven aftap – en opneembevoegdheden.

 

Artikel 139d Sr is gemeen voor artt. 139a-c Sr stelt strafbaar het op een bepaalde plaats aanwezig hebben van een afluister- en opnameapparatuur met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht door middel van een geautomatiseerd werk wederechtelijk wordt afgetapt of opgenomen. De ‘bepaalde plaats’ is daar waar het gesprek, de telecommunicatie of de gegevensoverdracht kan worden afgetapt en/of opgenomen. Het gesprek slaat terug op artt. 139a en 139b Sr, de telecommunicatie en de gegevensoverdracht slaan op art. 139c Sr. Omdat dit laatste artikel ook de communicatie door middel van aangesloten randapparatuur betreft kan voor de duidelijkheid niet worden volstaan met het begrip telecommunicatie.[23] 

 

Art. 139d Sr betreft de voorbereidingshandelingen tot het aftappen/opnemen, art. 139e Sr betreft het gebruiken van het verkregen materiaal. Onder 1° is strafbaar degene die beschikking heeft over een voorwerp waarvan hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat daarop wederrechtelijk gegevens zijn vastgelegd en die derhalve door overtreding van art. 139a-c, maar ook art. 374bis en 441 Sr zijn verkregen. De term `voorwerp' is met opzet zeer ruim en omvat zowel de traditionele gegevensdragers (bandopnamen) als de meer geavanceerde gegevensdragers (zoals CD-ROM). Volgens 2° is tevens diegene strafbaar die aldus verkregen gegevens opzettelijk aan een ander bekend maakt. Dit geldt niet alleen als hij weet dat deze gegevens wederrechtelijk zijn verkregen, maar eveneens als hij weet of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat zij door afluisteren, aftappen of opnemen te zijner kennis zijn gekomen. Ten slotte is het strafbaar (3°) om de voorwerpen die onder 1° zijn genoemd, aan een ander ter beschikking te stellen.

 

Artikel 374bis Sr. stelt strafbaar het als ambtenaar of als enig ander persoon belast met het toezicht op of met de dienst ten behoeve van een openbaar telecommunicatienetwerk of van een openbare telecommunicatiedienst (a) het opzettelijk en wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van een door tussenkomst van deze infrastructuur verzorgde, niet voor hem of niet mede voor hem bestemde gegevensoverdracht; (b) het ter beschikking hebben van een voorwerp waaraan, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een gegeven kan worden ontleend, dat door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van zodanige gegevensoverdracht is verkregen; (c) het opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekend maken van de inhoud van zodanige gegevensoverdracht; of (d) het opzettelijk en wederrechtelijk ter beschikking stellen van een voorwerp waaraan een gegeven omtrent de inhoud van zodanige gegevensoverdracht kan worden ontleend. Dit artikel behoort tot de zogenaamde ambtsdelicten. Aangezien PTT-telecom sinds 1985 een private onderneming is geworden en haar werknemers de status van ambtenaar hebben verloren, is er geen aanleiding meer om de gedraging van art. 374bis als ambtsdelict te zien.[24]

 

Tot besluit vermeld ik nog zeer beknopt twee bepalingen: Art. 441 Sr – dit is geen misdrijf maar een overtreding – stelt strafbaar het (verder) bekend maken van de inhoud van opgevangen radioverkeer, indien de dader redelijkerwijs moet vermoeden dat dit niet voor hem bestemd is. Art. 441a Sr – ook een overtreding – maakt het openlijk aanprijzen van afluisterapparatuur (‘technisch hulpmiddel voor etc.’) strafbaar.

 

2.2.2.3 Gegevensmanipulatie

 

Art. 350a Sr is geïnspireerd door het klassieke art. 350 Sr dat het wederrechtelijk vernielen, beschadigen etc. van een goed tot onderwerp heeft. In het eerste lid van artikel 350a wordt strafbaar gesteld hij die opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, verandert, wist, onbruikbaar of ontoegankelijk maakt, dan wel andere gegevens daaraan toevoegt. Het betreft hier een niet alleen op het oog zeer ruime strafbepaling.[25] Enerzijds komt dit door het bestanddeel ‘geautomatiseerd werk’. Dit sluit zeer veel apparaten in waarvan de werking met behulp van ICT geschiedt. Een CD-speler verwerkt ook gegevens en geeft deze in de vorm van muziekklanken weer. Verder wordt aan het gegevensverwerkend proces gerefereerd door de formulering `gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen'. Het woordje `zijn' lijkt te impliceren dat de bepaling zich tevens uitstrekt tot gegevens op externe gegevensdragers die op enig moment door een geautomatiseerd werk zijn vervaardigd. Dit laatste lijkt door de wetgever niet bedoeld. Het bekrassen of breken van een CD zodat de daarop geregistreerde gegevens niet meer bereikbaar zijn dient geen onderwerp van art. 350a Sr te zijn, maar van het klassieke art. 350 Sr. De delictshandelingen van art. 350a Sr zijn eveneens zodanig ruim dat daaronder ook doodnormale gebruikshandelingen van een computersysteem kunnen worden begrepen. Met name het toevoegen van gegevens aan bestaande gegevens is niets anders dan het invoeren van gegevens, een handeling die met het intoetsen van een enkel commando kan worden bereikt. Enige inperking wordt bereikt door de eis dat de beschreven handelingen opzettelijk en wederrechtelijk moeten zijn uitgevoerd.

Een belangrijk verschil tussen artikel 350 en 350a Sr is dat een goed in de zin van het eerste artikel `geheel of ten dele aan een ander toebehoort'. Deze eis wordt voor gegevens niet gesteld en kan ook niet gesteld worden, omdat gegevens – zie de goeddiscussie onder paragraaf 2.1 - niet aan iemand kunnen toebehoren. Recent veroordeelde de rechtbank in Almelo een groep vandalen die zich in de gebouwen van de Universiteit hadden uitgeleefd wegens brandstichting en het vernielen van gegevens.[26]

 

Het tweede lid van art. 350a Sr is een gekwalificeerde vorm van het delict van het eerste lid. De strafverzwarende omstandigheid is dat het delict van het eerste lid wordt begaan na door middel van een openbaar telecommunicatienetwerk wederrechtelijk in het geautomatiseerde werk te zijn binnengedrongen en indien ernstige schade met betrekking tot die gegevens wordt veroorzaakt. Met deze laatste omschrijving heeft de wetgever het oog op uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld wanneer het gebruik van de betreffende gegevens (denk aan programma’s en kritische bestanden) langdurig onmogelijk is en lange tijd van herstel of reconstructie vergt. Qua wetsystematiek zou het tweede lid van art. 350a Sr wellicht beter passen als zelfstandig lid van art. 138a Sr. De vraag die zich in dat verband opdringt is of het ook niet logischer zou zijn geweest om ook het eerste lid als onderdeel van art. 138a Sr op te nemen. De wetgever heeft met een zelfstandig art. 350a Sr willen aangeven dat het enkele binnendringen in geautomatiseerde systemen niet strafbaar is, maar dat het opzettelijk en wederrechtelijk aantasten van de daarin aanwezige gegevens ongeacht de omstandigheden juist wel. Naarmate de drempel voor strafbaarheid in art. 138a Sr wordt verlaagd, zou er juist meer rede zijn om het gehele art. 350a Sr met art. 138a Sr te combineren.

 

Een van de redenen voor een nieuw art. 350a Sr was het aanpakken van computervirussen. Het derde lid stelt strafbaar hij die opzettelijk en wederrechtelijk gegevens ter beschikking stelt of verspreidt die bedoeld zijn om schade aan te richten door zichzelf te vermenigvuldigen in een geautomatiseerd werk. Een computervirus richt geen schade aan door zich te verspreiden, maar door wat het doet, hetgeen meestal het wissen van gegevens inhoudt of het corrumperen van bepaalde verwerkingen. De wettelijke omschrijving van een virus in het derde lid dient daarom te worden aangepast.[27] Dit laatste stond een veroordeling van de verspreiding van het Kournikova-virus niet in de weg.[28] Het invoeren van een virus in een computersysteem is strafbaar op grond van het eerste of mogelijk het tweede lid van art. 350a Sr, althans wanneer opzettelijk en wederrechtelijk geschied en daarvan zal in vrijwel alle gevallen sprake zijn. Het derde lid betreft de voorbereidingshandeling van het verspreiden dan wel ter beschikking stellen. Het is voor de strafbaarheid niet noodzakelijk dat het virus heeft ‘gevuurd’ dat wil zeggen daadwerkelijk schade heeft aangericht.

 

Een vierde lid bevat een strafuitsluitingsgrond voor de personen of organisaties die virusscan- of viruskillerprogrammatuur op de markt brengen.

 

Via een amendement[29] heeft de Kamer het culpoze delict van art. 350b Sr n de wet doen opnemen (hij aan wiens schuld te wijten is dat..). Qua wetsystematiek past een culpoos delict overigens niet in titel XVII maar de ernst van de gedraging zou een uitzondering rechtvaardigen. Het eerste lid van 350b Sr combineert de omschrijving van het eerste lid van art. 350a Sr en voegt daar de eis van de ernstige schade aan toe, zoals in het tweede lid van art. 350a Sr, zodat mag worden aangenomen dat de delictsomschrijving niet gemakkelijk zal worden vervuld. Het tweede lid van art. 350b Sr is de culpoze variant van het derde lid van art. 350a Sr.

 

Voor degenen die thuis zijn op het terrein van het strafrecht en het leerstuk van het voorwaardelijk opzet zal duidelijk zijn dat een bepaling van art. 350b Sr weinig tot niets toevoegt en meer met de spierballen van het toenmalige parlement dan met voorkomen van maatschappelijke schade van doen had.

 

2.2.2.4 Computersabotage

 

De strafbaarstelling van computersabotage heeft zich niet beperkt tot een enkel artikel. Hierbij kan men uitgaan van twee benaderingswijzen. De eerste betreft de fysieke, stoffelijke kant van het gegevensverwerkende proces en richt zich op de apparatuur. Een computersysteem kan als ieder ander stoffelijk voorwerp vernield of onbruikbaar worden gemaakt door fysieke ingrepen. Het traditionele art. 350 Sr bestrijkt deze handelingen. Omdat computersystemen belangrijk kunnen zijn voor het functioneren van onderneming of voor het verrichten van nutsfuncties of daarop gelijkende voorzieningen, heeft de wetgever van 1993 geautomatiseerde werken en werken van telecommunicatie toegevoegd aan art. 351 Sr dat vernieling, etc. weliswaar met de zelfde gevangenisstraf bedreigt als art. 350 Sr maar wel met een hogere boetemogelijkheid. Met werken van telecommunicatie wordt gedoeld op voorzieningen zoals straalzenders, zendmasten en schakelkasten, waarvan onderdelen weliswaar uit ICT-componenten kunnen bestaan, maar waarvan het geheel niet steeds als een geautomatiseerd werk kan worden aangemerkt.

 

De tweede benadering betreft de directe verstoring van het gegevensverwerkend proces dat in het geautomatiseerde werk plaats vindt. Dit zal in de regel niet met fysieke middelen maar door middel van de invoer van gegevens, instructies of programma’s geschieden. Indien de computer daardoor uitvalt kan opnieuw een beroep worden gedaan op art. 350 Sr omdat het systeem daarmee onbruikbaar is geworden. Dat de storing al dan niet eenvoudig kan worden verholpen is voor de strafbaarheid niet relevant.[30] Omdat het saboteren van een geautomatiseerde verwerking niet steeds tot het uitvallen van het gehele computersysteem hoeft te leiden en omdat dit niettemin ernstige gevolgen kan hebben is voorzien in een tweetal aparte bepalingen in de titel van de zgn. gemeen-gevaarlijke delicten. Titel VII boek 2 Wetboek van Strafrecht ziet op `Misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht. Deze titel bevat bepalingen met betrekking tot gedragingen die gevaar veroorzaken voor personen of goederen. Er zijn bijvoorbeeld artikelen opgenomen omtrent aantasting van de elektriciteitsvoorziening en de verstoring van het weg‑, scheepvaart‑ of spoor- of luchtverkeer. Vanwege de steeds belangrijkere plaats die geautomatiseerde werken en werken voor telecommunicatie in onze samenleving innemen is het niet denkbeeldig dat bij vernieling e.d. daarvan gemeen gevaar voor goederen of mensen te vrezen is. Ingevolge artikel 161sexies is strafbaar hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens of enig werk voor telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt. Onder 1º tot en met 4 º zijn de ernstige gevolgen van deze handelingen opgenomen in oplopende graad van ernstigheid en uiteraard met een oplopende maximumstraf. Het ernstige gevolg onder 1º betreft het veroorzaken van de storing in een geautomatiseerde gegevensverwerking ten algemene nutte of van een openbare telecommunicatiedienst. Hierbij is het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ opgenomen, zodat de mogelijkheid openblijft die verstoring rechtmatig kan geschieden, bijvoorbeeld in geval van een arbeidsconflict. Als ernstigste gevolg voorziet de wetgever het veroorzaken van levensgevaar voor een ander of het veroorzaken van iemands dood.

 

Artikel 161septies bevat de schuldvariant. Schuld omvat hier niet iedere mate van onachtzaamheid (ook de geringste), maar alleen een min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid.[31]

 

Een nieuwe variant van computersabotage die zich met name in de internetomgeving heeft aangediend is de zgn. denial of service attack (DOS).[32] Samenspannende e-mailgebruikers zenden grote hoeveelheden berichten naar een bepaalde web-site waardoor deze mogelijk overbelast raakt. Het niet, tijdelijk niet of minder goed bereikbaar zijn van een web site kan uiteraard schade veroorzaken door het wegvallen van commerciële activiteiten. Op zich is het verzenden van e-mails door een individuele gebruiker niet onrechtmatig. De samenwerkende e-mailverzenders zijn verenigd in een boos opzet tot het veroorzaken van schade. De in deze paragraaf genoemde artikelen zien echter of op specifieke systemen of op specifieke gevolgen. In wetsvoorstel CCII is daarom een nieuw art. 138b Sr opgenomen dat zich specifiek op DOS-aanvallen richt.[33] De voorgestelde wetstekst is echter te beperkt, omdat het object van  zo’n aanval niet noodzakelijk alleen de toegang tot het openbare communicatienetwerk of de openbare communicatiedienst hoeft te zijn en verder omdat de opzet om te hinderen niet volgt uit de aard van de gegevens – het kunnen bijvoorbeeld verder onschuldige e-mailberichten zijn - maar in de omvang en de frequentie van de gegevensstroom. Het artikel zal daarom nog aangepast dienen te worden in CCIII.

 

2.2.2.5 Overige C.I.A.-delicten: computerspionage

 

In bovenstaande indeling komt een gedraging als computerspionage niet voor. Computerspionage is wel vermeld op de zgn. optionele lijst van de Aanbeveling van de Raad van Ministers van de Raad van Europa uit 1989[34] en uiteraard ook in het adviesrapport van 1987.[35] Op zich lijkt er weinig reden om hiervan een zelfstandig delict te maken, immers als spioneren niet mag dan zal het weinig verschil maken of dat met of in een computer dan wel met een ander hulpmiddel of op een andere plaats geschiedt. Door het introduceren van het begrip ‘gegevens’ in de strafwet was het echter nodig enkele bepalingen ter bescherming van staatsgeheimen zoals artt 98 Sr ev aan te passen. Hoewel met name art. 98c Sr rekening houdt met elektronische gegevensdragers zou ik de gedraging niet als een kenmerkende cybercrime willen aanmerken. In art. 273, dat sinds zijn invoering in 1886 geen wijziging had ondergaan paste de wet van 1993 de omschrijving van een onderneming aan op de dienstverleningsmaatschappij van het huidige tijdsgewricht. Daartoe werd het eerste lid van art. 273 Sr gewijzigd. Strafbaar is naar huidig recht degene die opzettelijk bijzonderheden bekend maakt aangaande een onderneming van handel of nijverheid waarbij hij werkzaam is of is geweest[36] en waarvan hem geheimhouding is opgelegd.[37] De wet van 1993 voerde in het eerste lid onder 2° van art. 273 Sr een soort helingbepaling in met betrekking tot door spionage uit computersystemen verkregen gegevens. Strafbaar is het bekend maken of uit winstbejag gebruiken van gegevens die door misdrijf zijn verkregen uit een geautomatiseerd werk van een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening. Voorwaarde is wel dat de gegevens betrekking hebben op de onderneming zelf, dat zij nog niet algemeen bekend waren en dat uit het bekend maken of gebruik enig nadeel kan ontstaan. Het misdrijf in kwestie is niet beperkt tot art. 138a Sr – het in dit verband meest voor de hand liggende – maar kan ieder ander misdrijf zijn dat de verkrijging van de gegevens mogelijk maakte.[38] Evenals bij de klassieke helingbepalingen is hier de vraag hoelang de status van ‘door misdrijf verkregen’ in de verdere overdrachtsketen van kracht blijft. Naarmate de informatie aan meerdere personen is doorgegeven, zal deze ook niet langer als ‘niet algemeen bekend’ kunnen worden aangemerkt.

Het tweede lid bevat een strafuitsluitingsgrond voor klokkenluiders. Niet strafbaar zijn personen die te goeder trouw konden aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking van bedrijfsgeheimen vereiste. Dit zal in een strafprocedure dan door de verdachte aannemelijk moeten worden gemaakt, hetgeen mij niet onder alle omstandigheden als een eenvoudige opgave voorkomt.

Het derde lid bepaalt dat het delict een zogenaamd klachtdelict is. Dat houdt in dat het delict alleen vervolgbaar op klacht van het bestuur van de onderneming als wettelijk vertegenwoordiger van het slachtoffer van het delict.[39]

Ogenschijnlijk lijkt art. 273, eerste lid onder 2° een oplossing te bieden voor de casus van Hof Arnhem (zie boven). Dat is echter niet het geval. Naar mijn mening zou dat in het systeem van de wet ook vreemd zijn. De sjoemelende programmeur was door zijn werkgever geen geheimhoudingsplicht opgelegd met betrekking tot de inhoud en werking van het sofwarepakket, ook beging hij geen misdrijf door de gegevens over te nemen op de aan een ander behorende schijf.[40] De van deze handeling profiterende concurrent beging zeker een onrechtmatige daad maar geen (ander) strafbaar feit. De casus was dan weliswaar de aanleiding voor de bovengeschetste wetsherziening, de oplossing ervan kan niet alsnog in de hiervoor beschreven strafbepalingen worden gevonden.

 

2.2.3. Computer-gerelateerde criminaliteit

 

Onder dit hoofd vinden we de strafbepalingen waaraan kan worden gerefereerd met het verzamelbegrip ‘computerfraude en computervalsheid’. In het WvSr vinden we overeenkomstige bepalingen in titel XXV resp. titel XII van boek 2. Titel XXV handelt in algemene zin over bedrog, titel XII over valsheid in geschrift en het doen van valse opgaven. Voor beide categorieën heeft ICT invloed op de formulering van (bepaalde) delictsomschrijvingen. Het verschil met de CIA-delicten is dat het hier niet gaat om specifieke aan het gebruik van ICT verbonden belangen. Het gebruik van ICT kan leiden tot bepaalde uitvoeringsmodaliteiten die in de klassieke delictsomschrijvingen niet of niet volledig zijn voorzien en waarvoor eventueel wetswijziging nodig is.

2.2.3.1 De bedrogsdelicten

 

De belangrijkste bepaling van titel XXV is het klassieke delict oplichting in art. 326 Sr. Samengevat is de kern van de gedraging is dat het slachtoffer door de zgn. oplichtingsmiddelen wordt ertoe bewogen een vermogensobject af te staan. Het bedriegelijke element bestaat daarin dat het slachtoffer een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven. Toepassing ervan de bepaling in een ICT-omgeving is voor de Nederlandse rechtspraak geen probleem, aangezien het hoofdbestanddeel van het delict, nl. het íemand bewegen, niet aan bepaalde vormen of methoden is gebonden[41] en omdat niet nodig is dat de in het artikel genoemde oplichtingsmiddelen rechtstreeks tegen het slachtoffer worden aangewend.[42] De enige aanpassing die de wet van 1993 was het invoegen van het bestanddeel ‘tot het ter beschikking stellen van gegevens met geldswaarde in het handelsverkeer’ als parallel van ‘de afgifte van enig goed’. Deze toevoeging was nodig omdat de wet van 1993 als uitgangspunt had dat gegevens nu juist niet onder het strafrechtelijke goedbegrip konden worden begrepen. Om te voorkomen dat de bepaling een wel heel wijde strekking zou krijgen dienen de gegevens een commerciële waarde te bezitten, dit in tegenstelling tot de in hetzelfde artikel genoemde goederen.[43]

Als typische cyber crime in titel XXV moet art. 326c Sr worden genoemd. Het artikel werd door de wet van 1993 in het WvSr als commuun delict geïntroduceerd. Tot die tijd fungeerde het als bijzonder delict in de Wet telecommunicatievoorzieningen en zich richtte tegen het door middel van technische ingrepen ontgaan van betaling voor telefoonverkeer. Art. 326c Sr werd aangepast op de digitalisering van het telecommunicatieverkeer heeft in de huidige formulering een ruime strekking gekregen. De bepaling omvat alle diensten die door middel van enige vorm van telecommunicatie aan het publiek worden aangeboden. Dit sluit zowel de basisdiensten, diensten van bijzondere toegang als de zogenaamde toegevoegde waardediensten in.[44] De wetgever had met de invoering en de verbreding van art. 326c Sr een vooruitziende blik omdat de bepaling ook van toepassing is op diensten met voorwaardelijke toegang. Zo valt bijvoorbeeld ook het onrechtmatig gebruik decoders om bepaalde diensten af te kunnen nemen onder de werking van de bepaling. De dader verschaft zich de communicatiedienst door middel van een technische ingreep of door middel van valse signalen. Als technische ingreep kan ook worden beschouwd het toepassen van een computerprogramma, bijvoorbeeld ter decodering van het signaal of om de registratie van de dienstafname te falsifiëren.

Het tweede lid betreft de strafbaarstelling van de voorbereidingshandeling tot het delict. De keuze daarvoor is destijds gemotiveerd door te wijzen op de beperkingen van uitlokking (art. 47, eerste lid onder 2 Sr). De uitlokker moet het delict opzettelijk uitlokken. De vraag is dan altijd of bewezen kan worden dat de opzet van de aanbieder van de technische middelen waarmee het delict van het eerste lid kan worden gepleegd inderdaad gericht was op het plegen van het delict door de afnemer van het technische middel. Het tweede lid van art. 326c Sr dient een eventuele bewijsnood te verhelpen. Van samenloop met het later in de wet ingevoegde algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen hebben we geen last aangezien art. 46 Sr zeer ernstige misdrijven betreft d.w.z. bedreigd met een strafmaat van acht jaren en hoger. Art. 326c Sr houdt het in de traditie van de oplichtingsdelicten op maximaal drie jaren gevangenisstraf of een geldboete van de vierde categorie.

De bestanddelen ‘technische ingreep’ en ‘valse signalen’ behoeven na de toelichting op art. 138a en 139c Sr geen nadere uitleg. In plaats van een technische ingreep had de wetgever in lijn met bijvoorbeeld art. 139c Sr ook kunnen kiezen voor een technisch middel. Het begrip technische ingreep is net een slag ruimer, aangezien een ingreep in de techniek ook door middel van een op zich niet technisch middel kan geschieden. De valse signalen zien op de (destijds) populaire apparaten waarmee akoestische signalen werden opgewekt die in het analoge telefoonsysteem als commando’s werkten. Het begrip komt ook voor in art. 138a Sr waar het is gekozen omdat het ruimer is dan ‘ gegevens’ die immers voor een bepaalde betekenisinhoud staan waar dat bij signalen niet het geval hoeft te zijn.

 

Het tweede lid is een voorbereidingshandeling ten aanzien van het delict van het eerste lid. Uitlokking van het delict van het eerste lid zal in de praktijk vaak moeilijk te bewijzen zijn aangezien de uitlokker volgens het tweede lid van art. 47 Sr ook de opzet moet hebben dat het betreffende delict wordt gepleegd. Het tweede lid stelt strafbaar het ter verspreiding aanbieden of in voorraad hebben, resp. het uit winstbejag vervaardigen of bewaren van een voorwerp of gegevens bestemd tot het plegen van het delict uit het eerste lid. Over de uitleg van het begrip ‘bestemd’ bepaalde de Hoge Raad dat ook een apparaat waarmee valse telefoonkaarten worden vervaardigd ‘bestemd is’ voor het plegen van het delict van het eerste lid.[45] Dit apparaat in kwestie werd onder de verdachte volledig gebruiksklaar aangetroffen waaruit werkwijze en bedoeling duidelijk waren. Niet bepalend is derhalve dat het misdrijf technisch alleen met behulp van de valse telefoonkaart worden uitgevoerd. Het begrip ‘gegevens’ in de wetstekst doelt volgens de toelichting op specifieke codes. De rechtbank in Haarlem oordeelde dat een beschrijving in een tijdschrift hoe de werking van decoders bij kabeltelevisie kunnen worden ontgaan beschouwd kan worden als ‘gegevens bestemd tot’. Deze uitleg is naar mijn gevoel juist over de grens van wat nog als ‘bestemd tot’ zou moeten worden aangemerkt, omdat hierdoor wordt getreden in het domein van de vrije meningsuiting.[46]

 

2.2.3.2 Valsheden

 

In tegenstelling tot de discussie rond het strafrechtelijk goedbegrip is er veel minder discussie geweest rond de strafrechtelijke duiding van elektronische geschriften in de vorm van computerrecords of bestanden. Het gerechtshof te Amsterdam bepaalde al in 1972 dat een set ponskaarten als een geschrift in de zin van art. 225 Sr (oud) kon worden beschouwd en dus kon worden vervalst. Deze uitspraak lijkt progressiever dan hij in werkelijkheid was, want het hof doelde hiermee op niets anders dan de aan de bovenzijde van de ponskaart afgedrukte lettertekens als weergave van de met de ponsgaten vastgelegde informatie.[47] De inschatting was dat  de rechter ook elektronische documenten als een geschrift zou aanmerken. Dit met toepassing van wat wel genoemd wordt de ‘functionele equivalentietheorie’. Oneerbiedig gezegd: het kwaakt als een eend, het loopt als een eend en het legt eieren als een eend, dus waren zouden we het ook geen eend noemen.[48] De kernkenmerken van een geschrift zijn immers: een min of meer duurzame vastlegging, met een in beginsel leesbare inhoud, en een menselijke gedachteuiting bevattend. Een record of computerbestand kan deze kenmerken ook bevatten.

Het tweede kernelement van art. 225 Sr, dat van de bewijsbestemming kan ook worden vervuld in verband met computerrecords. Bij twijfel aan de bewijsbestemming kan bij wijziging van de gegevens de m.i. (oneigenlijke) weg van art. 350a Sr worden gevolgd. Zie bijvoorbeeld de wijziging van girale tegoeden van in de elektronische bankadministratie, zoals berecht door de rechtbank van Almelo in 2001.[49]

 

In een van de weinige computerfraudezaken die in Nederland voor de rechter kwamen heeft de Hoge Raad dan ook een bevestiging van deze opvatting.[50] Deze uitspraak is niet alleen voor de toepasbaarheid van de valsheidsdelicten in het ICT-domein van groot belang belang geweest, maar ook voor andere delicten waarin het woord geschrift voorkomt, zoals de uitings- en verspreidingsdelicten.

 

De wetgever had echter twijfel of art. 225 Sr in alle gevallen van elektronische of digitale gegevens van toepassing zou zijn, met name waar het karakter van de menselijke gedachteuiting zou ontbreken, bijvoorbeeld ingeval van een magneetkaart met alleen technische gegevens.[51] Daartoe werd door de wet van 1993 een nieuw art. 232 Sr ingevoegd volgens de structuur van art. 225 maar met als centraal begrip een betaalkaart of waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs elektronische weg. De formulering van het artikel bleek te beperkt omdat dergelijke kaarten niet alleen worden gebruikt om te betalen maar ook om bepaalde transacties te doen registreren of bepaalde voordelen te verkrijgen. Wetsvoorstel CCII past de omschrijving van de waardekaart daarom aan. In het wetsvoorstel wordt zowel de creditkaartfunctie als de debetkaartfunctie van de betaalpas duidelijker zichtbaar, naast het gegeven dat de kaart ook zelf drager van (elektronische) waarden kan zijn. Op grond van het Europese Kaderbesluit betreffende fraude in verband met niet-contante betaalmiddelen zullen ook voorbereidingshandelingen met betrekking tot dergelijke elektronische betaalmiddelen strafbaar worden.[52]

2.2.4 Inhoud-gerelateerde delicten

Bij inhoud-gerelateerded delicten is het strafbare karakter gelegen in de inhoud van het elektronische bericht of van de elektronische vastleggiing. Dit is een zeer brede categorie van gedragingen waarbij het eigenlijk alleen om de vraag gaat of de traditionele delictsomschrijvingen toereikend zijn om vergelijkbaar gedrag in de internetomgeving te bestrijken. In algemene zin kan er over worden gezegd dat waar de bestaande bepalingen het bestanddeel ‘geschrift’ bevatten, kan worden teruggevallen op de belangrijke uitspraak van de Hoge Raad uit 1991 inzake art. 225 Sr (zie hierboven). Er mag daarom van worden uitgegaan dat de rechter geen verschil zal maken tussen papieren en elektronische geschriften. Een tweede bestanddeel dat in verband met internet nadere uitleg behoeft is de verspreidingshandeling. Informatie die op een website wordt geplaatst ondervindt verspreiding doordat de informatie door belangstellenden wordt downgeload. De aanbieder verspreidt in feite niet zelf, maar dit staat er niet aan in de weg om het plaatsen van informatie op een openbaar toegankelijke web-site als verspreiden aan te merken.[53] Een derde punt is het bij dergelijke delicten veel voorkomende bestanddeel ‘bezit’of ‘in voorraad hebben’ dat in verband met computersystemen enige nuancering behoeft. Zo staat informatie die op de vaste schijf van een systeem is opgeslagen onder controle van de gebruiker van die schijf of die geheugenpartitie en kan daar in het algemeen ook niet zonder zijn toedoen terechtgekomen zijn. Van informatie die zich in de cache bevindt staat wel vast dat zij door de systeemgebruiker is geraadpleegd of benaderd maar of er sprake is van bezit of van in voorraad hebben zal aan de hand van bijkomende factoren moeten worden beoordeeld. Een vierde punt betreft het vaak voorkomende bestanddeel ’openlijk’ of ‘in het openbaar’ voorkomt..De staande rechtspraak kan hier betrekkelijk eenvoudig naar de internetomgeving worden vertaald. Het plaatsen van informatie op een web-site of in een een nieuwsgroep geschiedt in beginsel openlijk of in het openbaar. Indien de toegang tot deze informatie technisch wordt beperkt kan er sprake zijn van beslotenheid, maar dit hangt vervolgens af van hoe de kring van potentieel toegangsgerechtigden wordt gedefinieerd. Zo levert de deelname aan een chat room m.i. geen beslotenheid op, omdat deze voorziening in beginsel voor een ieder openstaat. Dat is niet anders bij een website voor leden van een vereniging indien bijvoorbeeld aan de verkrijging van het lidmaatschap geen bijzondere voorwaarden zijn gesteld, of indien het ledenbestand bijvoorbeeld zeer omvangrijk zou zijn.

 

2.2.4.1 Kinderporno

De massale verspreiding van kinderporno via internet heeft niet alleen geleid tot een verhoogde opsporingsprioriteit, maar ook tot wetsaanpassing. Het oude art. 240b Sr had als ratio het voorkomen van het misbruik van kinderen ten behoeve van de vervaardiging van pornografisch materiaal. Internationaal was de tendens dat niet alleen het directe misbruik voorkomen diende te worden maar ook alle uitingen die de vervaardiging en het gebruik van kinderporno bevorderen. Bovendien bleek ICT een belangrijke factor niet alleen bij de vervaardiging en verveelvoudiging van zulk materiaal, maar internet een zeer belangrijk middel om het materiaal al dan niet openlijk te verspreiden. In het huidige art. 240b Sr is de dubbele ratio thans zihtbaar. De leeftijdgrens van het kind is in overeenstemming met het verdrag van de Verenigde Naties zelfs verhoogd van 16 naar 18 jaar. [54] Art. 9 van het Cyber Crime verdrag gaat nog een stap verder en houdt rekening gehouden met moderne ICT-gebaseerde technieken ter vervaardiging van zulk materiaal. ICT maakt het immers mogelijk afbeeldingen op eenvoudige wijze te manipuleren. Bij zogenaamde morphed images – een combinatie van delen van reële opnames van personen met al eventueeel virtuele elementen wordt het vrijwel onmogelijk bewijs te leveren dat voor de vervaardiging daarvan jeugdige personen zijn gebruikt. De strafbaarheid strekt zich daarom ook in de richting van dergelijk materiaal uit en sluit zelfs niet-reële opnamen in die als een realistische weergave van een pornografische voorstelling kan worden voorgesteld. Strafbaar op grond van het huidige art. 240b Sr is niet alleen de vervaardiging, maar ook de verspreiding en het bezit van een afbeelding dan wel een gegevensdrager waarin een dergelijke afbeelding is vervat – van een seksuele gedraging waarbij een persoon (schijnbaar) is betrokken die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. Het beroepsmatig vervaardigen, verspreiden etc. is onderwerp van het derde lid van art. 240b Sr.  Er zij hier nog gewezen op een concept-raamwerk van de Europese Unie over de strafrechtelijke bestrijding van kinderporno, dat art. 9 van het Cyber Crime Verdrag als basis heeft en een verdere harmonisatie van de strafbepalingen onder het national recht van de lidstaten nastreeft.[55]

2.2.4.2 Andere voorbeelden van inhoud gerelateerde delicten

Internet wordt ook gebruik voor de massale verspreiding van andere (strafbare) uitingen, zoals racistische uitingen en de verspreiding van racistisch materiaal. Bij het Cyber Crime Verdrag is inmiddels een eerste additioneel protocol overeen gekomen dat zich uitsluitend richt op racistische, xenophobe en discriminerende uitingen. Dit zal overigens niet behoeven te leiden tot aanpassing van de huidige bepalingen van artt. 137c-g Sr (substantieel). Ook wat betreft dit onderwerp ligt er een ontwerp-raamwerkbesluit van de Europese Unie voor.[56]

Voorbeelden van andere inhoud-gerelateerde cyber crime zijn illegale gokactiviteiten, aanbieden van  aan vergunning gebonden producten (medicijnen) met name waar internet door de internationale dimensie extra mogelijkheden aan de daders biedt. Dergelijke delicten zijn meestal een probleem wat betreft de handhaafbaafheid en minder wat betreft de strafbaarheid, zodat ik die hier niet verder zal bespreken.

In verband met hoofdstuk 11 van de nieuwe Telecomwet [57] en de implementatie van de e-commerce richtlijn[58] heeft de Tweede Kamer gediscussieerd over de vraag of het verzenden van ongevraagde commerciële elektronische communicatie (spam) strafbaar gesteld zou dienen te worden. Vooralsnog is de keus gemaakt voor een bestuursrechtelijke handhaving van een verbod op spam en niet voor de strafrechtelijke weg. De meest effectieve maatregel tegen spam zal echter het toepassen van spamfilters zijn.[59]

2.2.5 Intellectuele eigendom

 

Sinds de erkenning dat computerprogrammatuur door het auteursrecht wordt beschermd is er vanuit de kring der belanghebbenden geijverd voor een sterk handhavingsinstrumentarium waaronder het strafrecht. In de tachtiger jaren vonden content-producenten gehoor in verband met de piraterij van video-cassettes en werd de auteurswet opgetuigd met een aantal ruime en krachtige strafbepalingen. Deze zijn ondergebracht in toegevoegd aan beperkte set van auteursrechtelijke strafbepalingen. De huidige artt. 31- 36b Aw en omvatten zowel materieel-rechtelijke als procedureel-rechtelijke bepalingen en zijn gemeenschappelijk voor alle auteursrechtelijk beschermde werken, zoals genoemd in art. 10 van de wet. Voorwaarde voor strafbaarheid in artt. 31, 31a, 31b, 32 Aw is is het bestaan van een inbreuk op iemands auteursrecht. Of er inderdaad schending van een dergelijk recht heeft plaatsgevonden of plaats vindt dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van de auteurswet zelf. Deze strafbepalingen hebben daarmee een accessoir karakter. Voor computerprogrammatuur ligt dat wat eenvoudiger dan voor andere werken omdat met de invoering van de Europese Softwarerichtlijn van 1991[60] in de Auteurswet van 1912 vrijwel iedere gebruikshandeling van software auteursrechtelijk relevant is geworden. Het handelen in strijd met licentievoorwaarden is tegelijkertijd een strafbaar feit. Art. 31bAw maakt overtreding van art. 31 en art 31a Aw tot een ernstig delict, indien beroepsmatig begaan of als onderdeel van bedrijfsmatige activiteit.

Art. 32 Aw richt zich in het bijzonder op de verspreiding zgn. roofkopieën of illegale kopieën. De verspreidingshandelingen zijn omschreven als openlijk aanbieden ter verspreiding, voorhanden hebben ter verspreiding of ter verveelvoudiging, invoeren, doorvoeren of uitvoeren, of uit winstbejag bewaren. Als onderdeel van de softwarerichtlijn is art. 32a Aw ingevoerd. Weliswaar verplichtte de richtlijn niet – en kon ook niet verplichten tot een strafrechtelijke uitwerking – maar dat de wetgever daarvoor heeft gekozen is niet onbegrijpelijk. Art. 32a Aw stelt strafbaar het verspreiden of aanbieden van middelen die bestemd zijn zonder toestemming verwijderen van of het ontwijken van een technische beveiliging van computerprogrammatuur. De verspreidingshandelingen zijn dezelfde als onder art. 32 Aw  Ter voorkoming van een al te brede werking van het artikel is voor het woord ‘bestemd’ het woord ‘uitsluitend’ ingevoegd. Onder art. 32aAw vallen dus niet algemene programmatools of utilities waarmee onder omstandigheden ook een kopieerbeveiliging zou kunnen worden doorbroken. De vraag is of de wetgever hier met de term ‘uitsluitend ‘niet te zuinig is geweest. De rechtspraak legt de term met een beroep op de Auteursrechtrichtlijn 2001/29/EG vooralsnog niet absoluut uit: uitsluitend gaat ook op indien ander gebruik slechts in geringe mate mogelijk is.[61] Het toepassen van deze middelen levert weer overtreding van art. 31 of wellicht van art. 31b io. art. 31 Aw op. Art. 33 bepaalt dat overtreding van artt 31-32a Aw een misdrijf is.

De overige strafbepalingen zien op specifieke auteursrechtelijke onderwerpen als persoonlijksheidsrechten, het portretrecht en collectieve rechten en behoeven hier geen bespreking. Dat geldt ook voor de procedurele voorschriften.

Begrijpelijkerwijs heeft dit niet geleid tot een hoge opsporingsprioriteit bij het OM dat zich in het verleden beperkte tot de vervolging van georganiseerde gevallen van softwarepiraterij. De softwareproducenten hebben zich georganiseerd in een privaatrechtelijk lichaam, BSA, dat zich vooral richt op de aanwezigheid van illegale softwarekopieën bij bedrijven. BSA heeft geen bevoegdheden tot binnentreden of het doen van boekenonderzoek tegen de wil van betrokkenen maar werkt met tips en vrijwillige medewerking. De aanwezigheid van strafbepalingen in de Auteurswet draagt er aan bij om de bedrijven in kwestie tot aanvullende licentieovereenkomsten of andere maatregelen te bewegen.[62]

Sinds de opkomst van internet wordt zit ook de handhaving van het auteursrecht op andere informatieproducten in de knel. Ik moge hier verwijzen naar MP3 files en uitwisselingssystemen als KAZAA, waarin de rechter overigens geen auteursrechtelijke onrechtmatigheid ziet.[63] Dit geeft opnieuw maatschappelijke druk om toch vooral in strafbepalingen tegen inbreuken op elektronisch auteursrecht te voorzien. Het implementatievoorstel – thans in discussie in het parlement - bevat niet een dergelijke strafbepaling een absoluut verbod van middelen om beveiligingen te ontgaan ook rechtmatig gebruik van het auteursrechtelijk werk zou kunnen tegengaan en de gebruiker daarmee voor de bepaling van zijn gebruiksrechten volledig afhankelijk zou worden van de rechthebbende.[64] 

Naast de Auteurswet bevat de Wet op de Naburige rechten vergelijkbare strafbepalingen in art. 21 e.v. Ten overvloede noem ik nog art. 79 van de Rijksoctrooiwet dat mogelijk – maar zeker niet frequent kan worden toegepast op schendingen van bepaalde onder die wet vallende softwareoctrooien.

2.2.6 Telecommunicatie

In het voorgaande zult u wellicht tevergeefs hebben gezocht naar specifieke vormen van misbruik van telecommunicatie en telecommunicatievoorzieningen die onder vaak schilderachtige namen als Sim cloning en Roaming fraud bekend staan. Deze gedragingen zullen in alle gevallen of onder de klassieke strafbepalingen of onder de zgn. c.i.a-delicten kunnen worden gebracht. In essentie zijn de basisfuncties van ICT, waarbij de c.i.a.-delicten aansluiten, geen andere wanneer zij ten behoeve van telecommunicatie worden toegepast.

Ter afsluiting van dit deel over cyberstrafrecht keer ik terug naar specifieke telecommunicatiebepalingen. De Telecommunicatiewet voorziet in een voornamelijk administratief-rechtelijke handhaving van geboden en verboden in die wet. Een aantal daarvan heeft een strafrechtelijke afdekking die wordt gevormd door de Wet Economische Delicten (WED). Ik zou deze bijzondere delicten niet als cyber crimes willen aanmerken omdat zij veelal te maken hebben met de handhaving van vergunningsvoorschriften in de Tw en met de exploitatie of inrichting van communicatievoorzieningen en minder met gedragingen in cyber space. Ik zal hier dan ook volstaan met een korte verwijzing.

Art. 19.13 Tw somt de voorschriften op waarvan de overtreding een strafbaar feit is. Deze worden vervolgens ingedeeld in een van de categorieën van art. 1 WED. Volgens art. 2, eerste lid van die wet zijn de delicten onder art. 1 1º en 2º misdrijven indien opzettelijk begaan of in het andere geval overtredingen. In deze categorie vindt men bijvoorbeeld het zonder vergunning gebruiken van frequentieruimte, het in de handel brengen van niet-goedgekeurde randapparatuur of het niet-toepassen van beveiligingsvoorschriften ten aanzien van een telecommunicatienetwerk. Daarnaast zijn een aantal voorschriften ondergebracht in art. 1 onder 4º die in alle gevallen gelden als overtredingen. Voor de naar deze verschillende categorieën verwijzende straffen raadplege men art. 6 WED.

 


3. Onderzoek van computersystemen en gegevensverkeer in het WvSv

 

3.1  Doorzoeken en veiligstellen

 

Met de wet van 1993 werd een aantal nieuwe strafvorderlijke bevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering ingevoerd. Deze bevoegdheden zijn niet alleen bedoeld voor de opsporing van de cyber crimes zoals besproken in het voorgaande deel van dit cursusonderdeel, maar kunnen toepassing vinden voor elk delict, voor de opsporing waarvan onderzoek van een computersysteem of computernetwerk nodig is. De gemeenschappelijke term is ook hier ‘geautomatiseerd werk’ voor de ruime betekenis waarvan kan worden verwezen naar art. 80quinquies Sr. Bij onderzoek in computersystemen zal het, uitzonderingen daargelaten, niet gaan om de technische eigenschappen van de apparatuur maar om de informatie die in deze systemen is opgeslagen of wordt verwerkt. Dat geldt evenzeer voor een polscomputer welke door een verdachte als elektronische agenda wordt gebruikt als voor een groot mainframe, waarin mede voor een verdachte bestemde gegevens zijn opgeslagen. Behoudens de gevallen dat een verdachte of een andere persoon een computer met zich mee voert, zullen deze systemen zich meestal op een besloten plaats of in een woning bevinden. De meest voorkomende situatie zal die van de doorzoeking van plaatsen zijn waarbij computersystemen worden aangetroffen. Naar huidig recht is een doorzoeking mogelijk van woningen en andere plaatsen zoals kantoor – van een tot staan gebracht voertuig op de openbare weg. Een doorzoeking houdt in dat alle aangetroffen objecten aan een onderzoek kunnen worden onderworpen. Dit onderzoek dient er volgens de wettelijke omschrijving toe aangetroffen objecten zo nodig veilig te stellen door middel van beslag. Volgens art. 94 Sv is ieder voorwerp vatbaar voor inbeslagname indien het nodig is voor de waarheidsvinding, of voor het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een object kan ook in beslaggenomen worden indien het verbeurd kan worden verklaard of indien het aan het verkeer kan worden onttrokken. Over deze laatste situaties neemt de rechter een beslissing. De OvJ beslist over het voortduren van beslag. Belanghebbenden kunnen zich bij voortduren van het beslag tot de rechter wenden. In beginsel is iedere opsporingsambtenaar bevoegd tot inbeslagname (art. 96 Sv). Een beletsel tot uitoefenen van deze bevoegdheid kan echter zijn dat de wet de bevoegdheid om de betreffende plaats te betreden aan een andere autoriteit heeft voorbehouden.Voor het betreden van plaatsen met het doel te doorzoeken en in beslag te nemen is optreden van de OvJ vereist ( 96c Sv), indien deze plaats een woning is en de bewoner niet in een doorzoeking toestemt of indien deze plaats het kantoor van een zgn. verschoningsgerechtigde betreft, kan alleen de RC deze plaats betreden, zij het dat de OVJ in spoedgevallen niet behoeft te wachten tot de RC is gearriveerd (art. 96 Sv). In al deze gevallen wordt uitgegaan van of heterdaad of een ernstig delict in de zin van art. 67, eerste lid Sv.

 

De wetgever van 1993 ging er van uit dat computersystemen zich in de regel in een woning of een andere besloten plaats bevinden. Eenvoudig verplaatsbare computersystemen als palmcomputers, organisers of moderne mobiele communicatietoestellen, die bijvoorbeeld op het lichaam van een verdachte worden aangetroffen, of labtops in de kofferbak van een doorzochte auto zijn als stoffelijke voorwerpen vatbaar voor beslag en kunnen op deze wijze voor nader onderzoek worden veiliggesteld. Dat geldt ook voor deze objecten indien zij in een woning of kantoor worden aangetroffen. Bij grote systemen of bij computernetwerken kan men zich afvragen wat nu eigenlijk het voorwerp van de inbeslagname is? Tevens rijzen vragen over de doelmatigheid van een maatregel. Wat betekent beslag indien daardoor niet kan worden bereikt dat de gegevensverwerking onder controle komt van de onderzoekende ambtenaren? Een derde vraag is of beslag van een computersysteem of –netwerk niet aanstonds als disproportioneel en dus als onrechtmatig moeten worden beschouwd gezien de belangen van gebruikers van het systeem?

De wetgever van 1993 spreekt zich niet uit over de mogelijkheid of wenselijkheid van beslag van computerapparatuur wanneer deze op plaatsen wordt aangetroffen. Wel heeft hij voorzien in een aantal steunbevoegdheden om onderzoek van een ter plaatse aangetroffen computersysteem mogelijk maken en vereenvoudigen zonder dat tot inbeslagneming behoeft te worden overgegaan. Aangezien in 1993 het doorzoeken van woningen en besloten plaatsen nog uitsluitend aan de RC was opgedragen  zijn deze bevoegdheden terechtgekomen in een aparte zevende afdeling van titel IV ‘Onderzoek van gegevens in geautomatiseerde werken’ en opgedragen aan de RC. De Wet Herziening Gerechtelijk Vooronderzoek heeft wel het bevoegdhedenschema van de RC gewijzigd doch deze steunbevoegdheden op hun plaats gelaten. Dit leidt tot de merkwaardige situatie dat iedere opsporingsambtenaar bevoegd is tot het onderzoek van in beslaggenomen computersystemen, dat diezelfde opsporingsambtenaar onder leiding van de OvJ bevoegd is tot het onderzoek van bij een doorzoeking aangetroffen computersystemen, maar dat voor het toepassen van steunbevoegdheden in alle gevallen inschakeling van de RC nodig is. Een tweede knelpunt is de plaats van deze bepalingen. Een doorzoeking geschiedt ter inbeslagneming. In de literatuur vindt men voldoende steun voor het standpunt dat gegevens als zodanig niet vatbaar zijn voor beslag. De huidige wet heeft het onderzoek en het overnemen van gegevens in geautomatiseerde werken als zodanig niet geregeld. De zoekbevoegdheid is steeds gezien als onderdeel van de bevoegdheid tot doorzoeken en het overnemen van gegevens en kan worden gezien als een minder vergaande variant van inbeslagneming van de gehele apparatuur. Met de wet Herziening GVO is het doel van een doorzoeking (‘ter inbeslagneming’) wel expliciet geformuleerd doch in de wettekst is geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat men computerapparatuur niet in beslag hoeft te nemen om de inhoud ervan voor het onderzoek ter beschikking te krijgen. Beide punten zijn onderdeel van komende, hier niet te bespreken komende wetswijziging.[65]

 

3.2. De steunbevoegdheden ten behoeve van het onderzoek van computersystemen

 

Hieronder bespreek ik de inhoud van de steunbevoegdheden van artt. 125i-125n Sv. Voor zover relevant zal ik hierbij de voorgestelde wijzigingen van het wetsvoorstel Computercriminaliteit II betrekken.

 

3.2.1 Het verschaffen van toegang

 

Wanneer de toegang tot een computersysteem of –netwerk  is beveiligd heeft de R.C. een probleem. Om het systeem 'aan de praat' te krijgen mag hij zich weliswaar van alle middelen bedienen, zoals binnen de grenzen van de doorzoeking­be­voegd­heid zijn toegestaan. De hardware verschilt in dit opzicht niet van enig ander voorwerp dat in de onderzochte ruimte wordt aangetroffen. Ook ten aanzien van de programmati­sche voorzieningen - bijvoorbeeld de toegangsbeveiliging door middel van pass words - hoeft de r.c. zich geen beperkingen op te leggen. Hij mag het systeem proberen te "kraken", waar dat voor anderen een strafbaar feit op zou leveren. Bij een beetje beveiliging hoeft dat er niet toe te leiden dat de inhoud van het systeem inderdaad aan een onderzoek kan worden onderworpen. Art. 125k Sv geeft dan ook de bevoegdheid de persoon die kennis heeft van de wijze waarop het systeem is beveiligd te bevelen om de R.C. toegang tot het systeem of tot de relevante delen (bestanden) ervan te verschaffen. Een dergelijk bevel kan echter alleen worden gegeven indien aannemelijk is dat de informatie in het systeem voor het onderzoek nodig is en bijvoorbeeld geen andere mogelijkheden openstaan om die te verwerven. In de situa­tie vóór de wet van 1993 zou dergelij­ke informatie van de bewo­ner/systeembeheerder langs de weg van het getuigenverhoor zijn verkregen (zie art. 210 ev Sv). Getui­gen worden opgeroepen dan wel gedag­vaard en de raads­man van de ver­dachte is bevoegd is bij het verhoor aanwezig te zijn. Deze procedure is voor het verkrijgen van toegang tot een computer­systeem te omslachtig en kan leiden tot cruciaal tijdverlies.

Art. 125k ziet in het tweede lid op de situatie dat in het computersysteem versleutelde gegevens worden aangetroffen. Een bevel ex art. 125k Sv kan ook strekken ter ontsleuteling van die gegevens. Opvolging van het bevel is verplicht tenzij zich de bevolen tot de in art. 96a Sv genoemde kring van personen bevindt en zich voor nakoming van het bevel kan verschonen. Het bevel kan vanwege het nemo tenetur beginsel evenmin gericht worden tot de verdachte (art. 125k, eerste lid Sv). Meestal zal het de systeembeheerder zijn tot wie het bevel wordt gericht. Art. 125k Sv onthoudt zich echter zorgvuldig van het noemen van bepaalde functies. Het enige criterium is dat de bevolene kennis dient te dragen van de wijze waarop de betreffende computer of delen daarvan zijn beveiligd. Het is daarom niet uitgesloten dat het bevel ook tot andere personen of functionarissen wordt gericht, zoals een beveiligingsexpert. Opzettelijke niet-opvolging van het bevel is een strafbaar feit (art. 184 Sr). Men kan zich echter voorstellen dat in geval van het inschakelen van experts een vergoeding voor de werkzaamheden wordt overeengekomen.

 

3.2.2 Toegang tot een computernetwerk

 

Art. 125j Sv houdt rekening met computernetwerken. De bevoegdheid van een doorzoeking beperkt zich tot een specifieke fysieke locatie. Bij onderzoek in een computernetwerk is het mogelijk dat de voor het onderzoek benodigde gegevens zich op een andere fysieke locatie worden aangetroffen. In beginsel zou voor deze andere locatie een aparte doorzoeking moeten worden geregeld. Met het volgen van de daarbij behorende procedure gaat tijd ver­loren. De beheerders van het aangesloten systeem kunnen boven­dien inmiddels op de hoogte zijn dat huiszoeking op de oorspronkelijke locatie is verricht. Een en ander kan betekenen dat de voor het onderzoek benodigde informatie door of namens de verdachte wordt verwijderd. Art. 125j Sv geeft de RC daarom de bevoegdheid deze gegevens vanaf de doorzochte locatie veilig te stellen (‘vastleggen’). De RC is bevoegd onderzoek in een aangesloten systeem te doen voorzover dat vanaf de doorzocht locatie feitelijk mogelijk is. De bevoegdheid vindt zijn begrenzing in de toegangsrechten (niet de gebruiksrechten) van de verdachte of derden met betrekking tot die gegevens. In het tweede lid van art. 125j Sv is de kring van personen geformuleerd als zij die op de doorzochte locatie wonen, of plegen te werken dan wel plegen te verblijven.  De RC kan niet in alle gevallen weten of uitbreiding van de doorzoeking tot een aangesloten systeem noodzakelijk is – zeker niet als hij de betreffende gegevens nog niet aan een nader onderzoek heeft kunnen onderwerpen. Lid 1 van art. 125j Sv geeft als criterium dat de gegevens redelijkerwijs nodig moeten zijn voor de waarheidsvinding. De RC dient zich hiervan te overtuigen.

 

Onderzoek in een computernetwerk zou er toe kunnen leiden dat de doorzoeking zich uitstrekt tot gegevens die zich in het buitenland bevinden. Het Wetboek van Strafvordering spreekt zich niet uit over de toelaatbaarheid van dit onderzoek. De toepassing van de in het wetboek gegeven bevoegdheden dient zich te beperken tot de rechtssfeer van de staat der Nederlanden. Deze beperkt zich tot het eigen territoir en de daaraan door het internationale recht erkende uitbreidingen als continentaal plat, zeeschepen en luchtvoertuigen. Onderzoek door de R.C. van in het buitenland opgeslagen gegevens levert een schending op van de territoriale souvereiniteit van de betrokken staat op. Bovendien is de mogelijkheid groot dat de RC door zijn onderzoek een strafbaar feit pleegt, aangezien hij op grond van de wetgeving van die staat niet bevoegd is zich toegang tot die gegevens te verschaffen of die te kopiëren. De R.C. dient zich dan ook te onthouden van grensoverschrijdend onderzoek. Indien gegevens uit buitenlandse systemen nodig zijn, moet de weg van de internationale rechtshulp worden gevolgd.

 

3.2.3 Onderzoek en vastlegging van bestanden

 

Over de verdere bevoegdheden van de RC indien hij toegang tot het aangetroffen computer­systeem heeft verkregen, zwijgt de wet. De bevoegdheid van de doorzoeking is zo veelomvattend dat de wet niet nog eens apart hoeft te vermelden dat gegevens in een daarbij aangetroffen computersysteem met behulp van datzelfde systeem mogen worden doorzocht, geselecteerd en vervolgens vastgelegd.[66] Art. 125j eerste lid Sv geeft ten aanzien van aangesloten systemen wel expliciet aan dat voor de strafvor­dering benodigde gegevens mogen worden vastge­legd, hetgeen eveneens het zoeken, het selecteren en het gebruik van de apparatuur insluit.

 

De informatie zal meestal op een informatie­drager (tape-streamer) van de politie worden vastgelegd, maar het is ook denkbaar dat daarvoor een drager van de systeembeheerder wordt gebruikt die vervolgens door middel van beslag ter beschik­king van het onderzoek wordt gebracht. Teneinde de integriteit van de kopie buiten twijfel te stellen zullen de gegevensverzamelingen zoveel mogelijk volledig worden overgenomen.

 

Vanwege de grondwettelijke bescherming van het telefoon- en het telegraafgeheim, waaronder e-mail kan worden begrepen, voert CCII met art. 125n Sv (nieuw) een beperking is ten aanzien van een doorzoeking die wordt gehouden bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst. Een doorzoeking mag niet leiden tot een zgn. fishing-expeditie. Er mag in de door de telecomoperator aangehouden e-mailboxen, maar ook voicemails etc, alleen worden gekeken naar berichten afkomstig van de verdachte of voor hem bestemd, die hebben gediend tot het plegen van het strafbare feit of met betrekking waartoe het strafbare feit is gepleegd (de zgn. postformule, zie art. 100, eerste lid Sv). De RC bepaalt of en tot op welke hoogte deze beperking geldt, bijvoorbeeld in het geval dat het telecombedrijf of de internetprovider zelf verdachte is.

 

3.2.4 Verwijderen/blokkeren van gegevens

 

Onder het bestaande recht heeft de RC niet de bevoegdheid om onrechtmatige gegevens, die hij in het systeem aantreft te verwijderen. Derge­lijke gegevens zijn bijvoorbeeld illegale kopieën van compu­terprogramma's, virus­sen, informatiever­zamelingen die inbreuk maken op eens anders auteursrecht, opruiende of anderszins gevaarlijke of onrechtmatige infor­matie. Voor een dergelijke bevoegdheid werd in 1993 geen aanleiding gevonden.[67] Na geruime tijd ervaring met internet blijken opsporingsambtenaren bij een doorzoeking of beslag vaak te worden geconfronteerd met illegale bestanden. Beslag van de apparatuur ter onttrekking aan het verkeer of ter verbeurdverklaring is niet altijd mogelijk. CC II voert een zelfstandige bevoegdheid in tot het verwijderen/resp. blokkeren van in een computersysteem aangetroffen materiaal. De rechter beslist bij de behandeling van de strafzaak of de maatregel definitief is of in het andere geval juist moet worden teruggedraaid. Indien geen strafzaak volgt, kan men zich bij de raadkamer van de rechtbank beklagen.

 

            3.2.5 Uitlevering van gegevens

 

Wanneer een opsporingsambtenaar weet of vermoedt dat een derde, niet zijnde de verdachte, de beschikking heeft over een bepaald voorwerp dat nodig is voor het strafrechtelijk onderzoek - en dus vatbaar is voor beslag - kan hij de uitlevering daarvan vorderen.(zie art. 96a Sv). Een vergelijkbare bevoegdheid bestaat in art. 125i Sv voor elektronische informatie. Deze bevoegdheid kan tijdens een doorzoeking maar ook in andere gevallen worden toegepast. Anders dan bij stoffelijke voorwerpen is deze bevoegdheid vooralsnog nog alleen aan de RC voorbehouden (zie boven). Het bevel kan worden gericht tot degene van wie redelij­ker­wijs kan worden vermoed dat hij tot deze gege­vens toegang heeft. Men zou verwachten dat het bevel niet tot de verdachte kan worden gericht, zoals in art. 96a tweede lid Sv, maar die toevoeging heeft zijn oorsprong in een latere wetswijziging[68] en is nog niet in art. 125i Sv ingevoerd. Tot de adressanten van een bevel ex art. 125i Sv behoren de hou­der/eigenaar van het fysieke omhulsel (de compu­ter) van de betreffende gege­vens, maar ook individuele gebrui­kers. Het komt mij voor - de memorie van toelich­ting zwijgt hierover - dat hiermede niet alleen wordt gedoeld op de feite­lijke situa­tie in de zin van het bestaan van een toe­gangsmóge­lijkheid, maar ook op het bestaan van een toe­gangsrécht.

 

Teneinde dit dwang­middel niet te doen verke­ren in een algemene informatie­ver­plicht (de memorie van toe­lich­ting noemt het een soort uitgebreide getuig­plicht[69]) dient het bevel van de RC gericht en speci­fiek te zijn: het moet gaan om bepaalde, duidelijk omschreven gegevens van een be­perkte omvang. Het artikel bevat daartoe (een variant van) de zgn. postformule (zie ook hierboven) Dit houdt in combinatie met het toegangsver­eiste mede in dat de betreffende gegevens op het moment van het bevel als zodanig moeten bestaan en zijn vastgelegd. De RC is niet bevoegd te verlangen dat voor of ten behoeve van de verstrekking een inhoudelijke bewerking wordt uitgevoerd. Selectie van gege­vens naar bepaalde criteria behoort uiteraard wel tot de mogelijkhe­den. Verder moe­ten de gegevens in een bepaalde relatie staan met de ver­dachte of met het straf­bare feit. Zij moeten door de ver­dachte zijn inge­voerd, voor hem bestemd zijn of te zijner beschikking staan. Terecht wordt niet de eis ge­steld, dat ze de verdachte moeten betref­fen; zij moeten voor­werp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan ervan hebben ge­diend. Binnen deze bevoegdheid van de RC valt bijvoorbeeld het bevel aan een bank om een overzicht te leveren van de transacties op de rekening-courant van een bepaalde cliënt over een be­paalde maand. De bank heeft deze gegevens ook voor zichzelf beschik­baar. Buiten de bevoegdheid zou bijvoorbeeld vallen een bevel aan een postorderbedrijf om de namen en adressen van de cliënten die geavanceerde afluisterapparatuur hebben afgenomen, dit uiteraard ongeacht de mogelijk­heid dat het bedrijf dergelijke gegevens vrijwillig verstrekt. Als justitie van mening is dat de informatie essentieel is voor het opsporingsonderzoek, moet de weg van de doorzoeking worden gevolgd.

 

Aan het bevel kan uitvoe­ring worden gegeven door deze gege­vens vast te leggen, door de RC de toegang ertoe te ver­schaffen (bijvoorbeeld on-line), dan wel door ze over te brengen naar de grif­fie van de recht­bank. De RC schrijft voor hoe en in welke vorm hij deze gegevens wil ontvangen. Hij doet er goed aan te bepalen dat de gegevens in "plain text" worden geleverd, d.i. in leesbare en begrijpelijke vorm en niet bijvoorbeeld in versleutelde vorm. Hij kan ook vorderen dat ze op een drager (papier, disk) worden vastge­legd en uitgeleverd.

 

Ook gege­vens die een be­schrijving geven van de hande­lin­gen welke door de ver­dachte in relatie met het compu­tersys­teem zijn verricht (log file) kunnen door de RC worden gevorderd. Zie hier de parallel met de zgn. verkeersgegevens in telecommunicatiesystemen.

 

Niet onbelangrijk is dat de bevolene recht heeft op vergoeding van de kosten – dat is volgens de wet niet wat hij daarvoor in rekening wenst te brengen - die hij heeft moeten maken om aan het bevel te voldoen. Kosten die ontstaan doordat de bevolen niet aan de wettelijke bewaarplicht heeft voldaan kunnen (uiteraard) niet worden gevorderd. Zie voor een en ander art. 592 Sv, tweede lid Sv.

 

De tekst van art. 125i Sv heeft aanleiding gegeven tot een oneigenlijke en dus onjuiste toepassing. Uit de plaats in zevende afdeling en de parallel met stoffelijke voorwerpen kan worden afgeleid dat het hier om vastgelegde gegevens gaat en niet om stromende. XS4All verzette zich dan ook terecht tegen het bevel van de RC om inkomende e-mailberichten voor een bepaalde abonnee te vergaren en aan de RC uit te leveren, omdat de bevoegdheid van art. 125i Sv niet voor zgn. stromende gegevens is gegeven. In het geval dat de RC het e-mailverkeer had willen opvangen had hij een tapbevel dienen te geven.[70] In de situatie van toen zou dat zonder effect gebleven zijn aangezien de voor aftappen van internet benodigde technische voorzieningen nog niet voorhanden waren (zie paragraaf 4).

 

De overige in CCII voorgestelde wijzigingen, inclusief de toevoeging van een nieuw derde lid aan art. 125i Sv laat ik hier onbesproken aangezien zij niet of niet in die vorm zullen terugkeren in het wetsvoorstel ‘Bevoegdheden vorderen gegevens’.[71]

           

            3.2.6 Rechtsbescherming

 

Art. 125 m derde lid Sv schrijft voor dat de RC een opgave doet aan de beheerder van het onderzochte systeem van de door hem – althans onder zijn instructie - zijn vastgelegd. In deze opgave kan worden volstaan met een aanduiding van de betreffende bestanden of directories zolang het de betrokkene maar duidelijk is welke gegevens in het strafrechtelijk onderzoek worden betrokken. De beheerder van een systeem in kwestie is degene die op het moment van de huiszoeking de feitelijke controle over het systeem heeft. Bij het zoeken in aangesloten systemen behoeft de RC niet op zoek te gaan naar de beheerder van het elders aanwezige systeem. De wetgever gaat ervan uit dat andere belang­hebbenden van het optreden van justitie op de hoogte zullen komen. Naar de letter van art. 125m derde lid Sv dient de RC ook een opgave te verstrekken van door hem gevorderde en vervolgens ontvangen vastgelegde gegevens.

 

De opgave dient ertoe om de betrokkene/belanghebbende op de hoogte te brengen omdat een en ander zich buiten zijn aanwezigheid of wetenschap kan hebben afgespeeld. Bovendien is hij bevoegd om bij de raadka­mer van de rechtbank te klagen, niet over het toepassen van de dwangmid­delen, maar over het kennisnemen van of het (verdere) gebruik van de door­zochte en vastgelegde data.­ Belanghebbenden zijn personen op wie de data betrekking hebben, of voor wie de data een financieel of zelfs emotioneel belang vertegenwoordi­gen. Zie voor beklag art. 552a Sv.

 

In CCII vervalt het derde lid van art. 125m Sv dat daar ook niet op zijn plaats is. Het wordt vervangen door een nieuw art. 125p Sv dat tevens bepaalt dat een opgave mag worden uitgesteld indien het belang van het onderzoek dat vergt. Bovendien behoeft niet meer te worden gemeld indien het de verdachte betreft die uit het strafdossier kan leren wat er bij hem is vastgelegd.

 

De rechter dient te beslissen over het vastleggen/blokkeren van gegevens. Daartoe stelt CCII een nieuw art. 354 Sv voor. De rechter kan tegelijk met zijn vonnis in de strafzaak besluiten dat de blokkademaatregel definitief is of dat de betrokkene weer de beschikking over de betreffende gegevens dient te krijgen. Voordien of indien geen strafzaak volgt kan volgens hetzelfde wetsvoorstel op grond van art. 552a Sv worden geklaagd tegen het voortduren van de maatregel.

 

 

3.2.7. Verder gebruik gegevens.

 

Art. 125n Sv bepaalde in zijn eenvoud dat vastgelegde gegevens ver­nietigd dienen te worden zodra zij van geen beteke­nis meer waren voor het onderzoek. Dit laatste was bedoeld in algemene zin, dat wil zeggen niet alleen het onderzoek in het kader waarvan de gegevens werden vergaard maar ook ander al dan niet gerelateerd strafrechtelijk onderzoek. De inhoud van computersystemen is vaak omvangrijk en kan dus een rijke bron van informatie voor de opsporing zijn. De mogelijkheid van beklag is daarom een belangrijk controlemiddel, maar ook de wet dient hier voorschriften te geven. De regeling van art. 125n Sv is in 1999 geëxpliciteerd – en dus uitgebreid - en in verband gebracht met het bepaalde in de Wet Politieregisters.


4. Bevoegd aftappen

 

4.1. Achtergronden

 

De titel van hoofdstuk 13 van de Telecommunicatiewet wekt bij globale lezing de indruk dat hierin wordt geregeld wanneer telecommunicatieverkeer door overheidsinstanties mag worden onderschept. Dat is echter niet het geval. Het grondwettelijk telecommunicatiegeheim – in art. 13 GW nog telegraaf- en telefoongeheim geheten is uitgewerkt in het strafrechtelijk verbod van art. 139c Sr – en enkele andere bepalingen zoals art. 441 Sr. De bevoegdheden tot afluisteren en opnemen van telecommunicatie alsmede de gevallen waarin deze moge worden toegepast, vindt men in het WvSv en in de Wet Inlichtingen- en veiligheidsdiensten.[72] De Tw regelt in hoofdstuk 13 slechts de verplichtingen van de aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten[73], zoals gedefinieerd in art. 1 Tw, ten behoeve van het aftappen en opnemen door genoemde overheidsdiensten. Die verplichtingen bestaan uit het aanbieden van een aantal technische voorzieningen en uit het doorgeleiden van de betreffende communicaties. Daarnaast bestaan een aantal inlichtingenplichten ten aanzien van het telecommunicatieverkeer en ten aanzien van de daaraan deelnemende abonnees. Ik kom hier uitgebreid over te spreken.

 

Aftappen van telecommunicatie is in Nederland een aanvaard middel ter opsporing van strafbare feiten en voor het vergaren van inlichtingen door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In de periode dat openbare telefonie op grond van een wettelijk monopolie nog bij uitsluiting van anderen door het staatsbedrijf der PTT werd aangeboden, zijn in het vaste netwerk de voorzieningen aangebracht om iedere individuele communicatie te kunnen onderscheppen. De verzelfstandiging van het staatsbedrijf, gevoegd bij het toelaten van mobiele providers onder de Wet Telecommunicatievoorzieningen leidde tot een verlaat inzicht bij de overheid[74], dat een groeiend deel van het telecommunicatieverkeer zich in de toekomst niet meer uitsluitend via het netwerk van het voormalige staatsbedrijf zou afspelen en dat daarom niet kon worden volstaan met het regelen van de wettelijke bevoegdheden tot aftappen alleen. Was het zo’n kleine twintig jaar geleden nog betrekkelijk eenvoudig mogelijk om het telefoonverkeer via het vaste net op allerlei plaatsen af te tappen, met de komst van de mobiele telefonie en het gebruik van nieuwe datatransporttechnieken en –beveiligingen is aftappen zonder al te grote technische inspanningen eigenlijk alleen mogelijk via medewerking van de provider, die in zijn netwerk daartoe de nodige voorzieningen moet hebben aangebracht om individuele communicaties te kunnen aftappen.

 

In de huidige Tw is gekozen voor een stelsel dat onder alle omstandigheden de aftapbaarheid van openbare telecommunicatie moet verzekeren. In de parlementaire discussie naar aanleiding van de Tw van 1998 zijn de argumenten voor en tegen uitgebreid aan de orde gekomen. Vooral kwam aan de orde voor wiens rekening de kosten van de aftapvoorzieningen zouden dienen te vallen. Uiteindelijk was men het eens dat de kosten voor de aftapvoorzieningen voor rekening van de providers dienden te vallen en de operationele kosten van het afluisteren voor het Rijk. Hiermee is in ieder geval voorkomen dat de overheid (veel te) hoge kosten zijn berekend. De werking van de markt leidt ertoe dat individuele providers ook waar het om aftapvoorzieningen gaat kiezen voor de optimale oplossing en niet voor de duurste. De lasten daarvan komen indirect bij de gebruiker terecht die deze kosten heeft te aanvaarden als een normaal onderdeel van zijn gebruikskosten.

 

In Nederland wordt aftappen gezien als een efficiënt opsporingsmiddel dat een relatief geringere inzet van opsporingsambtenaren vergt en een geringer risico voor hun persoonlijke veiligheid oplevert dan bijvoorbeeld infiltratie in het criminele milieu. Andere opsporingsmethoden, zoals direct afluisteren of het houden van een doorzoeking maken wellicht een zwaardere inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene dan het aftappen van zijn telecommunicatie.[75] Van de zijde van burgerrechten- en privacygroepen wordt begrijpelijkerwijze betoogd dat het gebruik van de telefoontap in Nederland excessief zou zijn. Statistische informatie over het feitelijke aantal telefoontaps is niet voorhanden. Incidentele publicaties vormen niet onbegrijpelijk aanleiding tot maatschappij-kritische rapporten en daar weer op reagerende vragen in het parlement.[76]

 

4.2. Plan van behandeling.

 

Voor een goed begrip van de inhoud en betekenis van hoofdstuk 13 van de Tw is het nuttig aan de bevoegdhedenkant te beginnen om aan te geven wat en welke vorm van samenwerking van de providers daartoe nodig is. Ik begin daarom in het WvSv. Deze regeling is het meest omvangrijk en ingewikkeld, was bovendien onderwerp van de nodige wettelijke herzieningen en zal dat ook in de nabije toekomst zijn. Vervolgens breng ik bepaalde aspecten van de strafvorderlijke bevoegdheden in direct verband met de bepalingen van hoofdstuk 13 Tw.

Ik beperk mij hier tot het aftappen en opnemen ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Het volstaat hier te melden dat de Wet Inlichtingen- en veiligheidsdiensten vrijwel de zelfde bevoegdheden aan de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten verschaft als het WvSv aan de opsporingsorganen en dat de uitwerking daarvan in de Telecommunicatiewet en onderliggende regelingen vrijwel identiek is.

Buiten bespreking blijft hier een onderwerp als het grootschalig aftappen van telecommunicatie door middel van systemen als Echelon omdat Nederland voor deze activiteit geen verantwoordelijkheid draagt en zich er op grond van het internationaal publiekrecht evenmin tegen kan verzetten.[77]

De Tweede Kamer heeft recent het wetsvoorstel ter implementatie van de Europese Telecomrichtlijnen aangenomen.[78] Hoofdstuk 13 van de Tw, als typisch Nederlands recht, maakt geen deel uit van de wijzigingen van de Tw, zodat genoemd wetsvoorstel voor dit cursusonderdeel buiten beschouwing kan blijven.

 

4.3. Onderzoek van telecommunicatie in het WvSv

 

De opsporingsbevoegdheden in het Wetboek van Strafrecht, althans waar het onderzoek van telecommunicatie betreft, hebben in de loop der tijd om verschillende redenen wijziging ondergaan. Aanvankelijk werd volstaan met een betrekkelijk eenvoudige regeling bestaande uit drie artikelen: het aftappen zelf (art. 125g Sv), het vorderen van inlichtingen over telecommunicatie (art. 125f Sv) en het vernietigen van het verkregen tapmateriaal (art. 125h Sv). Ik houd deze driedeling voor het onderstaande aan.

 

4.3.1 De last tot tappen

 

Art. 125g Sv (oud) verschafte de Rechter-Commissaris (RC) de bevoegdheid tot het doen afluisteren en opnemen van het telefoonverkeer waaraan een van een strafbaar feit verdachte persoon werd deelgenomen. De RC trad in die dagen alleen op in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Wilde de Officier van Justitie dat telefoongesprekken werden afgeluisterd dan diende hij daartoe een gerechtelijk onderzoek te vorderen. De uitvoering van het dwangmiddel geschiedde vervolgens onder toezicht en verantwoordelijkheid van de RC. De eerste belangrijke uitbreiding van deze bevoegdheid geschiedde met de invoering van de Wet Computercriminaliteit van 1993 die het toepassingsbereik van de bepaling verbreedde tot elke vorm van gegevensoverdracht over wat in het begrippenkader van de WTV nog de telecommunicatie-infrastructuur heette. Dit begrip werd in het licht van de Tw van 1998 en het onderliggende Europese Kaderbesluit van 1997 vervangen door het duo openbaar telecommunicatienetwerk en openbare telecommunicatiedienst. De tweede belangrijke wijziging betrof de Herziening Gerechtelijk Vooronderzoek en de invoering van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. De aftapbevoegdheid werd opgevat als een bijzondere opsporingsbevoegdheid en opgenomen in een nieuw art. 126m Sv. Het uitoefenen van deze bevoegdheid is opgedragen aan de OvJ, echter steeds met  machtiging van de RC.[79] Aan de ene zijde zou dit een verruiming van de bevoegdheid kunnen betekenen, aan de andere zijde werden de toepassingsvoorwaarden in de wet strakker geformuleerd. Art. 125g Sv kon alleen worden toegepast op telecommunicatie waaraan de verdachte (vermoedelijk) deelnam. De opsporingspraktijk redde zich met zgn. NN-taps, waarbij de persoon die voorwerp van onderzoek was werd aangemerkt als een nog onbekende verdachte. In art. 126m Sv is deze eis losgelaten, maar moet er in algemene zin wel sprake zijn van verdenking van een ernstig strafbaar feit en daarmee met een concrete verdachte. Het artikel legimeert niet tot het ongericht en willekeurig onderscheppen van telecommunicatie. In de Nederlandse Strafwet is dat in ieder geval een feit dat met een gevangenisstraf van vier jaar of meer wordt bedreigd. Art. 67, eerste lid Sv bepaalt dat voor deze feiten voorlopige hechtenis is toegelaten, alsmede voor een aantal andere feiten die een lagere strafmaat. Art. 126m Sv verwijst naar alle delicten die in art. 67, eerste lid zijn opgesomd echter met de toevoeging dat het feit in kwestie gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Aangezien een communicatie tussen twee of meer personen wordt onderhouden, staat art. 126m Sv wel toe ook een niet-verdachte persoon in het onderzoek te betrekken. De volgende voorwaarde is dat art. 126m Sv alleen toepassing kan vinden indien het onderzoek toepassing  dringend vordert, hetgeen men kan vertalen met noodzakelijk voor de waarheidsvinding. De OvJ zal dan ook telkens moeten motiveren waarom de bevoegdheid toepassing heeft gevonden. In de loop der tijd kan men zich wel een zekere erosie van deze in theorie strenge voorwaarden voorstellen. De Wet BOB zorgde voor twee parallelle reeksen van vrijwel identieke bevoegdheden. Zo vinden wij de aftapbevoegdheid in dezelfde vorm terug in art. 126t Sv. Het voorwerp van het onderzoek is in dit geval een persoon ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven. De ingang voor de normale strafvorderlijke bevoegdheden was voor de invoering van deze wet steeds de verdenking in de zin van art. 27 Sv: een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Ook voordat daarvan sprake is kunnen bepaalde bevoegdheden, zoals die van art. 126m Sv niettemin toepassing vinden.

 

4.3.2 Het vergaren van inlichtingen over telecommunicatie

 

Voor het kunnen aftappen van telecommunicatie is het nodig dat bekend is onder welk abonneenummer de verdachte of de bij het beramen of uitvoeren van georganiseerde criminaliteit betrokkene aan telecommunicatie deelneemt. Omgekeerd dient het mogelijk te zijn om de identiteit van de persoon te achterhalen die als tegenpartij van een afgetapte telecommunicatie is opgetreden. Deze gegevens worden gevonden in de administratie van de provider. De OvJ was op grond van art. 125f Sv (oud) bevoegd, ingeval van heterdaad of van een van de delicten van art. 67, eerste lid Sv, tot het vorderen van inlichtingen hieromtrent. Naast het vorderen van inlichtingen over abonnees sloot de bevoegdheid tevens in het verkrijgen van inlichtingen over telecommunicatieverkeer dat in het verleden had plaatsgehad. Hoewel de tekst van de wet mij op dit punt helder voorkomt is de bevoegdheid in het verleden steeds zo uitgelegd - door de rechtspraak van de Hoge Raad gesanctioneerd !- dat het vorderen van inlichtingen over historisch verkeer tevens inhield de vergaring van deze gegevens over toekomstig verkeer en het verstrekken ervan aan de OvJ. Deze gegevens worden in het telecomspraakgebruik aangemerkt als zgn. verkeersgegevens. Zij betreffen niet de inhoud van de communicatie maar het tijdstip de betrokken technische adressen, de routeringsgegevens, het tijdstip, de duur, het type dienst etc. Wel dienen deze gegevens gerelateerd te zijn aan de communicatie omtrent welke de OvJ nadere inlichtingen behoeft. [80] Dat laatste leverde een belemmering op voor de verkrijging van andere voor het onderzoek benodigde gegevens, hetgeen aanleiding mede aanleiding vormde voor het indienen van het wetsvoorstel ‘Vorderen gegevens telecommunicatie’.

 

De wetswijzigingen die bij art. 125g Sv zijn genoemd hebben tot vergelijkbare wijzigingen rond art. 125f Sv geleid. Ook hier is een een-eiïge tweeling verschenen in de vorm van art. 127n en 127u Sv.

 

4.3.3 De bewaring van tapgegevens.

 

Art. 125h Sv stelde eenvoudig dat de opgenomen gegevens vernietigd dienden te worden indien zij van geen belang meer waren voor het onderzoek. Deze regeling is in het licht van de omgang met persoonsgegevens en de rechten van de verdediging op een eerlijk proces te beperkt gebleken en maakt thans onderdeel uit van een de gemeenschappelijke regeling van artt. 126aa Sv e.v. voor een aantal bijzondere opsporingsbevoegdheden.

 

4.3.4 Prepaid-telefoons (art. 126na Sv)

 

Introductie van prepaid telefoons vormde een bedreiging voor de afluisterpraktijk aangezien de identiteit van de gebruiker niet kan blijken uit de abonneeregistratie van een provider. Ook de afname van beltegoeden leidt niet tot een registratie van de persoon van de klant. Er was dan ook aanvankelijk sprake van de invoering van een wettelijke verplichting voor telefoonwinkels om de identiteit van de afnemers van prepaidtelefoons deugdelijk vast te stellen en de NAW-gegevens tesamen met de technische gegevens van de telefoon. Het is echter wel mogelijk gebleken om het verkeer vanaf of aan een bepaalde mobiele prepaid telefoon aan de hand van technische gegevens van de handset te identificeren. Art. 126na Sv geeft de OvJ de bevoegdheid om deze technische gegevens door de betreffende provider te doen achterhalen en deze aan de OvJ te verstrekken, zodat een tapopdracht of een opdracht tot het vergaren van verkeersgegevens kan worden verstrekt. Voor de technische uitwerking zij verwezen naar 4.4.3.2.

 

4.3.6 Rechtsbescherming

 

Art. 126bb Sv verplicht de OvJ om aan de betrokkene te melden dat jegens hem gebruik is gemaakt van een van de bevoegdheden van het type ‘stiekem’. Deze heimelijke opsporingsbevoegdheden –observatie, afluisteren etc.-  bevinden zich in Titel IVa en V van het Tweede boek. Hoewel het hof in Straatsburg in het Klass-arrest[81] strikt genomen niet tot een dergelijke notificatieplicht concludeerde, is het vanuit een oogpunt van rechtstatelijkheid en behoorlijke procesorde niet meer dan logisch om betrokkenen van de verborgen inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op de hoogste te stellen. Notificatie kan achterwege blijven – zie het derde lid - indien de betrokkene als verdachte van het feit kennis zal nemen via het strafdossier waaraan deze gegevens krachtens art. 126aa Sv dienen te worden toegevoegd. De melding mag worden uitgesteld tot het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet. (eerste lid, eerste volzin). Notificatie kan ook achterwege blijven indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is (eerste lid, tweede volzin). Deze zin dekt situaties van ‘met onbekende bestemming vertrokken’ tot ‘in de tussentijd overleden’.Van notificatie wordt geen centrale registratie bijgehouden.[82]

 

4.4. De verplichtingen in de Tw

 

Hiervoor zijn de strafrechtelijke bevoegdheden behandeld. Deze kunnen alleen tot een effectieve uitvoering leiden indien de technische voorzieningen daartoe beschikbaar zijn. Nederland heeft gekozen voor een systeem dat het aftappen steeds geschiedt door middel van bepaalde vormen van medewerking. Men zou zich ook kunnen voorstellen dat het aftappen uitsluitend door en onder verantwoordelijkheid van de handhavingsautoriteiten geschiedt met behulp van eigen daartoe ontwikkelde technische middelen. Een land als Duitsland, bijvoorbeeld, past (inmiddels) het Nederlandse model toe, in Canada vertrouwt men tot dusver op de eigen inspanningen van politie en justitie. De keuze voor dergelijke systemen is vooral historisch bepaald. In Europa waren de telefoonaanbieders oorspronkelijk private maatschappijen die zich daarna tot de tachtiger jaren van de vorige eeuw als overheidsbedrijven hebben gemanifesteerd. Aan de overkant van de oceaan is er wel een korte periode overheidsbemoeienis geweest, maar zijn de telefoonaanbieders al veel langer als private ondernemingen actief. In de maatschappelijke verhoudingen van de landen daar lag en ligt het wettelijk verplicht verlenen van medewerking aan overheidstaken nu eenmaal gevoeliger dan in Europa.

 

4.4.1. Aftapbaar houden

 

Art. 13.1, eerste lid Tw laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Iedere provider dient ervoor te zorgen dat het door hem verzorgde telecommunicatieverkeer kan worden afgetapt. Het is de provider alleen op die voorwaarde toegestaan om zijn diensten aan het publiek aan te bieden. Als provider dienen niet alleen de klassieke telefoonaanbieders – vast of mobiel – te worden beschouwd maar ook iedere internet-provider. Uit art. 1.1 onder d en e. blijkt dat als een provider in de zin van de Tw wordt beschouwd degene die het door hem verzorgde telecommunicatieverkeer ook routeert. Toegevoegde-waardediensten en aanbieders van bijzondere toegang doen dat niet en zijn derhalve ook uitgezonderd van een verplichting om hun systemen aftapbaar te maken. Het tweede lid van art. 13.1 Tw voorziet in de regeling van de technische vereisten van het aftappen bij Amvb, het besluit Aftappen openbare telecommunicatiewerken en –diensten.[83] Dit besluit is gebaseerd op een tamelijk obscuur gebleven overigens niet-bindende Resolutie van de Raad van de Europese Unie uit 1995.[84]

 

·   Opgave nummer moet voldoende zijn om te kunnen tappen

·   Bepaald volume van verkeer moet tegelijkertijd kunnen worden afgetapt

·   De bijzondere last tot aftappen wordt onverwijld uitgevoerd op vermeld tijdtip en voor aangegeven periode

·   Aftappen is niet kenbaar voor betrokkenen in de communicatie noch voor derden

·   Provider ontdoet afgetapt materiaal van de door hem eventueel aangebrachte versleuteling

·   De kwaliteit van het afgetapte is vergelijkbaar met het oorspronkelijke verkeer

·   Indien gewenst kan af te tappen communicatie direct door worden geleid, zonodig naar meerdere instanties/personen

·   “Follow-me” mag geen hinderpaal zijn voor aftappen van de communicatie

·   Van uitvoering van de last tot aftappen wordt door de provider aantekening gehouden in een register.

 

 

Tabel 1: art. 2 Besluit aftappen: technische eisen aftappen

 

Het Besluit Aftappen op zijn beurt in art. 3 en 4 weer naar een ministeriële circulaire voor de verdere uitwerking van technische details ten aanzien van de aan te brengen technische voorzieningen. De regeling heeft eerst in een aantal etappes vorm gekregen omdat het bij het van kracht worden van de Tw niet mogelijk was om een algemeen technisch protocol voor aftappen vast te stellen. De oorspronkelijke regeling ging uit van wat er aan voorzieningen bestond. De versie van 2001 specificeert met betrekking tot een aantal telecommunicatienetwerken en -diensten waaraan door providers moet worden voldaan. Zo onderscheidt de regeling circuit- en pakketgestuurde netwerken en geeft onderscheiden voorschriften voor verschillende netwerken en transporttechnieken zoals bijvoorbeeld GSM, DSC 1800, ERMES, TFTS en internet.[85] Ik zal deze regeling als te detaillistisch hier verder niet bespreken.

 

In bijzondere gevallen kan de Minister – in 1998 de Minister van Verkeer en Waterstaat, thans de Minister van Economische Zaken – in overeenstemming met zijn ambtscollega’s van Justitie en van Binnenlandse Zaken als verantwoordelijken voor het Openbaar Ministerie en de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten – ontheffing verlenen van de verplichtingen van hoofdstuk 13. Art. 13.8 Tw geeft aan dat zulks mogelijk is al dan niet op beperkte wijze of onder het stellen van nadere voorschriften. De Kamer had de Minister destijds bij motie uitgenodigd voor internetdiensten in uitstel te voorzien.[86] De internet-providers hebben zich langdurig en vehement verzet tegen de verplichtingen onder hoofdstuk 13 Tw. De bezwaren hiertegen waren van voornamelijk van financiële aard. Als jonge tak van economische activiteit zouden de kosten voor het ontwikkelen van dergelijke voorzieningen een onevenredige last voor een sluitende exploitatie betekenen. Men kan zich ook indenken dat het verzet werd geïnspireerd door een principiële opstelling, het internet zoveel mogelijk vrij te houden van controlerende overheidsinvloeden. Wat daar ook van zij, de regering was niet ongevoelig voor bezwaren van de gezamenlijke internet-providers en verlengde de in art. 20.13 Tw voorziene overgangstermijn van 9 maanden. Na een eenmaal herhaald moratorium werd echter vastgehouden aan de eisen van de Tw[87] waarin de providers zich uiteindelijk schoorvoetend hebben geschikt.[88]

 

Op de details van deze technische regelingen wil ik hier verder niet ingaan. Voor een goed begrip van hoe het aftappen in de praktijk wordt uitgevoerd is voldoende te weten dat de aftapapparatuur in staat is om het verkeer van en naar een bepaald technisch nummer te herkennen[89] en hiervan in real-time een technisch volwaardige kopie te maken. Deze kopie wordt vervolgens doorgeleid naar de apparatuur in de zgn. afluistercentrales die er een vastlegging van maakt. Het aftappen/doorgeleiden geschiedt door de provider, het al dan niet opnemen van de communicatie door de daartoe door de OvJ aangewezen opsporingsambtenaar (zie art. 126m en eventueel 126t Sv hiervoor).

 

4.4.2 Meewerken

 

Art. 13.2 Tw verplicht de provider om medewerking te verlenen aan een bevoegd gegeven bijzondere last tot aftappen. Deze last wordt gegeven door de OvJ als het gaat op de opsporing van strafbare feiten op basis van art. 126m en 126t Sv. Een last is bevoegd gegeven indien de wet in een dergelijke bevoegdheid voorziet. De provider kan uitvoering van de last echter niet weigeren indien onverhoopt niet aan de door de wet gestelde nadere voorwaarden wordt voldaan. De provider behoeft daarnaar dan ook geen onderzoek in te stellen.

 

In het eerste en tweede lid van art. 13.2 onderscheiden tussen telecommunicatienetwerken en telecommunicatiediensten. Het verschil tussen beide leden is verder louter redactioneel. Het derde lid verwijst naar de hierboven besproken Amvb en onderliggende regelingen betreffende de wijze waarop het aftappen dient te geschieden en hoe deze gegevens in handen van de lastgevende autoriteiten worden gesteld.

 

4.4.3 Informatieverstrekking

 

4.4.3.1 Abonneegegevens

 

De regeling rond het aftappen is technisch ingewikkeld, maar juridisch betrekkelijk helder. De plicht tot het verstrekken van informatie over telecommunicatieverkeer en abonnees is technisch niet ingewikkeld maar juridisch gecompliceerd. Art. 126n en 126u Sv geven de OvJ de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen over alle telecommunicatieverkeer dat door een provider is verzorgd en waaraan de verdachte van het strafbaar feit waarop et onderzoek zich richt vermoedelijk heeft deelgenomen. Art. 13.4 Tw werkt de verplichtingen van de provider te dien aanzien uit. In feite kan men hier drie verschillende categorieën van informatie onderscheiden. De eerste volzin van art. 13.4, eerste lid Tw strekt tot een algemene informatieplicht. Veranderingen in de technologie die van invloed zijn op de mogelijkheid van bevoegd aftappen, dienen ter kennis van de voor dat aftappen bevoegde autoriteiten te worden gebracht (zie ook onder overleg). In specifieke zin verwijst de tweede volzin van het eerste lid naar de gegevens die nodig zijn om een bijzondere last tot aftappen te kunnen uitvoeren. Dat betreft de relatie tussen een persoon en de nummers waaronder hij aan het telecommunicatieverkeer deelneemt. Art. 2 van de Regeling aftappen (zie de tekst hiervoor en tabel 1) stelt dat het verstrekken van een nummer aan de provider voldoende moet zijn om het daaronder onderhouden verkeer naar justitie en de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten door te geleiden. Om de telecommunicatie van een bepaalde verdachte te kunnen tappen moet dus eerste het bijbehorende  telefoon- of faxnummer, semafoonadres, e-mailadres of IP-nummer worden verkregen teneinde dit in de bijzondere last te kunnen vermelden. Dat nummer komt of uit de administratie van de betreffende   provider. Omgekeerd kan tijdens het tappen blijken dat telecommunicatie heeft plaatst gehad met een partij waarvan de justitie de identiteit wil vaststellen. Deze informatie moet komen uit de administratie van dezelfde of van een andere provider. De laatste volzin van het eerste lid van art. 13.4 specificeert de gegevens die in ieder geval kunnen worden gevorderd en krachtens dit artikel moeten worden verstrekt: het door de provider verstrekte nummer waaronder de betrokkene communiceert, de aard van de dienst die voor de communicatie wordt gebruikt, als ook de bij het nummer behorende NAW-gegevens.

 

Uit deze wijze waarop deze informatieverplichting vorm is gegeven, blijkt dat de wetgever primair het oog had op het klassieke telefoonverkeer. Aanbieders van deze diensten beschikken in het algemeen over deugdelijke administraties omdat zij hun abonnees periodiek de kosten van hun telecommunicatieverkeer in rekening brengen en om nummerinformatie te kunnen verstrekken. Internetproviders, met name de gratis providers, hebben die behoefte niet of minder. Het wetsartikel strekt niet tot een administratieverplichting door de providers. Evenmin behoeven zij er op toe te zien dat hun abonneegegevens juist zijn. Een abonnee kan telecommunicatiediensten bijvoorbeeld onder valse naam of pseudoniem afnemen indien de provider daarvoor de mogelijkheid biedt. Het verplichting tot het verstrekken van abonneegegevens gaat niet verder dan ‘as is’ (zoals beschikbaar).

 

Omdat met het zoeken naar de juiste provider nuttige onderzoekstijd verloren kan gaan is een bijzonder systeem ontworpen dat er in voorziet dat voor individuele verzoeken tot verstrekking

van abonneegegevens geen beroep meer op de individuele provider behoeft te worden gedaan. Alle abonneegegevens van de gezamenlijke providers (op termijn) zijn opgeslagen in een databank bij het CIOT, centraal informatiepunt onderzoek telecommunicatie.[90] Providers verstrekken de mutaties in hun abonneebestanden langs geautomatiseerde weg en wel eenmaal per 24 uur (art. 4, tweede lid besluit). In het CIOT zijn van een individuele abonnee opgenomen: zijn of haar NAW-gegevens, de afgenomen telecommunicatiedienst en het aansluitnummer of aansluitnummers die daartoe aan de gebruiker van de dienst zijn toegekend. Het besluit beperkt zich niet tot een abonnee omdat een abonnement kan zijn afgesloten ten behoeve van een andere persoon of groep personen, hier aangeduid met de gebruiker. Dit nummer is volgens art. 1 onder g Besluit bij gebruik van het vaste telecommunicatienetwerk het aansluitnummer, bij mobiele telefonie het MSISDN-nummer.[91]

 

De bevraging van het CIOT is 24 uur per dag mogelijk en geschiedt langs geautomatiseerde weg. Een aantal waarborgen moet voorkomen dat het bestand niet als een algemene vraagbaak over welke abonnee dan ook kan worden gebruikt.

 

·   Het CIOT bevat zelf geen persoonsgegevens, het bevat een verwijsindex naar het abonneebestand van een bepaalde provider waarin de gevraagde gegevens zijn opgenomen (art. 7 eerste lid)

·   Toegang alleen mogelijk door tussenkomst van een geautoriseerd ambtenaar (art. 5 eerste lid)

·   Toegang tot technische voorzieningen alleen door geautoriseerde personen (art. 5 tweede lid)

·   Alleen gegevensverstrekking mogelijk wanneer de aanvraag een (gedeelte) van de bestandsgegevens bevat (art. 4 derde lid)

·   De provider verstrekt alleen abonneegegevens zoals deze nodig zijn voor zijn bedrijfsvoering (art. 4, tweede lid)

·   Van de invoer en de verstrekking van abonneegegevens via het CIOT wordt een protocol bijgehouden (art. 7, eerste lid)

 

 

Tabel 2: toegangs- en gebruiksvoorwaarden voorwaarden CIOT

 

Daarnaast kan nog de verplichting van art. 8 worden genoemd tot het uitbrengen van een jaarlijks verslag over het gebruik dat van het CIOT is gemaakt.

 

De gegevenstandaard voor de geautomatiseerde uitwisseling en een aantal beveiligingseisen is opgenomen in een bijlage bij het besluit.

 

Het opvragen van andere gegevens dan aansluitnummers geschiedt rechtstreeks bij de provider, zonder tussenkomst van het CIOT. Het is de bedoeling dat ook de internetdienstenverleners hun abonneegegevens via het CIOT zullen uitwisselen.

 

Hierboven worden justitie en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten – waaronder te begrijpen de algemene en militaire inlichtingen- en veiligheidsdiensten AIVD en de MIVD - steeds in een adem genoemd waar het gaat om aftappen en vorderen van de bijbehorende informatie. De mogelijkheid van deze bevoegdheden gebruik te maken is geschied bij afzonderlijke Amvb, die voorziet in een simultane wijziging van het besluit aftappen, het besluit verstrekken gegevens telecommunicatie en het besluit vergaren bijzondere nummergegevens voorziet in verband met het van kracht worden van de WIV.[92]

 

4.4.3.2 Pre-paid telefoons

 

Een bevel van de OvJ krachtens art. 126na of 126ua Sv Sv wordt volgens de procedure van art. 13.4, tweede lid Tw en zoals voorzien in de bijbehorende Amvb nader uitgewerkt.[93] Zoals art. 13.4 tweede lid al suggereert worden van de provider indien het telecommunicatieverkeer plaats heeft met behulp van geval van pre-paid cards en ingeval dit verkeer voorwerp van strafrechtelijk of veiligheidsonderzoek zou zijn, een aantal extra inspanningen gevorderd. Behalve voor de situatie van pre-paid mobiele telefoon is in een moeite door de situatie van roaming geregeld. Van roaming is sprake wanneer een mobiele beller in het buitenland gebruik maakt van een netwerk bij een lokale provider die de kosten van het gebruik vervolgens verrekent met de eigen provider van de mobiele beller. De lokale provider is niet bekend met de identificerende gegevens van deze mobiele beller, maar weet wel bij welke andere buitenlandse provider deze abonnee is aangesloten en dus wie over zijn abonneegegevens beschikt. De strekking van de Amvb is dat de provider met de van de OvJ verkregen aanwijzigingen het nummer van de betreffende mobiele handset probeert te achterhalen. Indien dat niet mogelijk is kan speciale scanapparatuur worden ingezet die de signalen registreert die tussen (mobiele) randapparatuur en antenneopstelpunten worden uitgewisseld. De radiosignalen bevatten het nummer van de randapparatuur, en de gegevens die aan de gebruiker zijn toegekend zoals MSISDN-nummer, het IMEI-nummer en het IMSI-nummer. Wanneer een van deze nummers bekend is kan op basis daarvan het telecommunicatieverkeer met en aan deze randapparatuur worden getapt. Voor de voorziening wordt een afwijkend gebruik van de frequentieruimte gemaakt, waartoe art. 3.10, vierde lid Tw de mogelijkheid biedt. Voor de verdere technicités beveel ik de lezing van de toelichting bij de genoemde Amvb aan.

 

4.4.4 Vertrouwelijkheid

 

Art. 13.5 verplicht providers tot het nemen van veiligheidsmaatregelen ter handhaving van de vertrouwelijkheid van het aftappen en het verstrekken van inlichtingen. Het tweede lid van dit artikel verwijst naar een een en ander uitwerkende Amvb. Deze is eerst recent vastgesteld.[94] De provider dient er zorg voor te dragen dat onbevoegden geen toegang hebben tot de inhoud van de last tot tappen of van een vordering tot het verstrekken van informatie, geen kennis dragen over wiens telecommunicatie wordt getapt, laat staan van de inhoud van deze telecommunicatie die aan justitie en de inlichtingendiensten wordt doorgeleid. De provider dient daartoe een beveiligingsplan te ontwerpen en in werking te hebben. De voor de uitvoering van aftappen en verstrekken van inlichtingen verantwoordelijke personeelsleden, hebben, ingeval zij medewerking aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verlenen een veiligheidsscreening ondergaan of, ingeval zij justitie assisteren, is omtrent hun persoon een verklaring van goed gedrag afgegeven. Deze regeling spoort (nog) niet met het bepaalde in het tweede lid van art. 126n en 126 u Sv dat er immers in voorziet dat een vordering op grond van deze artikelen gericht kan worden tot een ieder die bij een provider werkzaam is. Art. 13.5 Tw en bovengenoemde Amvb bepalen dat de uitvoering van een taplast of een vordering tot verstrekken van inlichtingen slechts door gekwalificeerde personen mag geschieden. Aanpassing van art. 126n en 126u Sv is dan ook nog nodig.[95]

 

4.4.5 Kosten

 

Art. 13.6 verdeelt de kosten van het aftappen en het verstrekken van gerelateerde gegevens als volgt over de betrokken partijen. Het eerste lid ziet op de investeringen en onderhoudskosten die nodig zijn om telecommunicatienetwerken en -diensten aftapbaar te houden. Deze kosten vloeien voort uit de verplichtingen van het aftapbaar houden (art. 13.1 Tw), het kunnen vergaren en verstrekken van verkeersgegevens en abonneegegevens (art. 13.4 Tw) en de kosten van beveiliging (art. 13.5 Tw), zoals geregeld in de betreffende artikelen en bijbehorende Amvb’s en ministeriële regelingen. Deze kosten zijn steeds voor rekening van de provider. Aangezien in het verleden slechts tijdelijk toepassing is gegeven aan de ontheffingsmogelijkheid van art. 13.8 Tw betekent de regeling dat iedere aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken en –diensten in de zin van art. 1f Tw deze kosten in zijn begroting of businessplan dient te voorzien. Voor de operationele kosten, kosten van personeel, administratie en overhead daaronder begrepen, die voortvloeien uit de verplichtingen betreffende het aftappen zelf (art. 13.2, eerste en tweede lid Tw), en het verstrekken van verkeersgegevens dan wel abonneegegevens kan een beroep worden gedaan op de in het derde lid genoemde ministeriële regeling. Gezien het feit dat aftappen zowel voor strafvorderlijke doelen als voor de veiligheid van de staat kan worden toegepast, ligt een eigen regeling boven die van art. 591 Sv voor de hand.

 

4.4.6 Georganiseerd Overleg

 

Ook op aftappen is het poldermodel van toepassing. Tussen de meest betrokken aanbieders van telecommunicatienetwerken en –telecommunicatiediensten en vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten vindt regulier overleg plaats over de uitwerking van de verplichtingen in hoofdstuk 13 Tw. Het overleg orgaan is onderdeel van het Permanente overlegorgaan Post en Telecommunicatie en heet in de dagelijkse gang: deelorgaan aftappen.[96] Een het bestaan van een overlegorgaan is in ieder geval nuttig om de behoeften van de wetgever langs technologisch, organisatorisch en economisch begaanbare routes te geleiden. Ook evaluatie van de praktijkervaringen kan door middel van korte communicatielijnen geschieden. De providers kunnen via dit overlegorgaan bovendien in zekere vertrouwelijkheid uitvoering geven aan hun algemene informatieverplichting krachtens het eerste lid, eerste volzin van art. 13.4 Tw.

 

4.4.7 Geschillenregeling

 

Behalve dat in het kader van de wet regulier overleg over aftappen plaats vindt kan men zich ook voorstellen dat een provider ziet niet kan verenigen met de technische voorschriften zoals gegeven in voorgaande Amvb’s en de onderliggende verordeningen. De reden daarvoor kan zijn dat er een beveiligingsprobleem ontstaat of dat slechts met onevenredige inspanning aan deze voorwaarden voldaan zou kunnen worden. Art. 13.3 beperkt de mogelijkheid van een geschil overigens tot de doorgifte.

 

4.4.8 Handhaving van hoofdstuk 13 Tw

 

Weigering de door de OvJ gegeven last uit te voeren is een strafbaar feit (art. 184 Sv). Het niet kunnen uitvoeren van een dergelijke last omdat de provider heeft verzuimd de op grond van art. 13.1 Tw en onderliggende regelingen verplichte voorzieningen aan te brengen kan worden aangemerkt als het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering in de zin van art. 184 Sr op. Via de WED kan ook zonder dat een bijzondere last is gegeven worden opgetreden tegen providers die verzuimen een of meer van de verplichtingen van hoofdstuk 13 na te komen. Zie hiervoor onderdeel 2.2.6. In de praktijk zal de weg van de WED de voorkeur verdienen.

De Tw opent in art. 15.1, eerste lid onder e io art  15.2, eerste lid verder de mogelijkheid van toepassing van bestuursdwang door de Minister. Bestuursdwang kan strekken tot het aanbrengen van de faciliteiten en het doen uitvoeren van de gegevens lasten, maar in theorie ook het (tijdelijk) beëindigen van de ondernemingsactiviteit van de provider inhouden. De bestuursrechter zal een dergelijke maatregel naar mijn mening echter alleen billijken in geval van herhaaldelijk en opzettelijk in gebreke blijven. Art. 15.4 geeft de mogelijkheid van het opleggen van een (forse) boete van maximaal Euro 450.000. Het recht op strafvervolging vervalt indien de minister toepassing aan art. 15.4 Tw heeft gegeven en het omgekeerde geldt ook.

 

4.5. Toekomstige ontwikkelingen

 

Hiervoor is om de zaken niet nodeloos te compliceren nog niet gesproken over een aantal onderwerpen, waarvoor binnen afzienbare tijd regelgeving van kracht zal worden. Onder deze paragraaf moeten worden genoemd

a) de wet ‘vorderen gegevens telecommunicatie’;

b) overige onderwerpen Cyber Crime Verdrag: niet- openbare telecommunicatie en de (verplichte) opslag van verkeersgegevens;

 

4.5.1 Het wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie

 

4.5.1.1 Parlementaire behandeling

 

Het voorstel van wet is gedateerd 24 oktober 2001[97] en is op 3 april 2003 door de Tweede Kamer zonder verdere beraadslaging aangenomen.[98] De Eerste Kamer heeft de behandeling van het wetsvoorstel ter hand genomen. Ten tijde van het concipiëren zijn uitgebracht het voorlopig verslag van de vaste commissie voor justitie en de memorie van antwoord van het kabinet.[99] Uit dit verslag blijkt een aanzienlijk kritischer houding dan bij de behandeling door de Tweede Kamer. Punten van zorg zijn de uitbreiding van de bevoegdheid tot de gewone opsporingsambtenaar, de convergentie van inhoud en verkeersgegevens deze vorm kan krijgen bij registratie van surf-gedrag op het internet, het vergaren van locatiegegevens mobiele telefonie en het niet voorzien in een meldingsplicht. Inmiddels heeft de wet het Staatsblad bereikt, maar is nog niet in werking getreden.

 

4.5.1.2 Achtergronden

 

Het wetvoorstel werd nodig geacht vanwege de onduidelijkheid over de aard en de omvang van de gegevens die op grond van de strafvorderlijke bevoegdheden van artt. 126n en 126u Sv van providers kon worden gevorderd. In de literatuur was vooral discussie ontstaan over de vraag of gegevens als deze bevoegdheden zouden strekken tot het vorderen van nieuwe typen gegevens zoals bijvoorbeeld locatiegegevens bij mobiele telefonie. Het wetsvoorstel voorziet in het ontwerp van een Amvb waarin de informatie die voorwerp is van genoemde bevoegdheden limitatief wordt omschreven. Indien de ontwikkeling van de technologie daartoe aanleiding geeft, kan deze Amvb worden aangevuld opdat met die ontwikkelingen gelijke tred kan worden gehouden.

 

Het tweede onderdeel van het wetsvoorstel betreft een nadere aanduiding van wat in het voorstel gebruikersgegevens wordt genoemd. Welke gegevens is een provider op vordering verplicht te verstrekken en welke niet. De ratio van het wetsvoorstel is daarin gelegen dat providers in de opsporingspraktijk veelal bereid bleken tot vrijwillige verstrekking van abonnee- en andere gegevens aan de opsporingsautoriteiten, zonder dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp) daarvoor voldoende grondslag bood. Wetgeving legitimeert de verstrekking van persoonsgegevens en biedt tevens de gelegenheid die verstrekking te normeren, zoals in 1996 ook aanbevolen door de parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden.[100]

 

Het wetsvoorstel 28 059 strekt tot wijziging van het duo artt. 126n en 126u Sv en van het duo artt. 126na Sv en 126ua Sv. Tevens worden de overeenkomstige bepalingen in hoofdstuk 13 Tw hierop aangepast. Art. 126n en 126u Sv spreken van “inlichtingen over telecommunicatieverkeer” terwijl de parallelbepaling van art. 13.4 Tw zich beperkt tot “gegevens over telecommunicatieverkeer”. Het wetsvoorstel splitst deze begrippen in zgn. verkeersgegevens en gebruikersgegevens. Ten aanzien van beide geldt het begrip ‘gebruiker’ die zowel de natuurlijke of rechtspersoon van de abonnee is als degene die feitelijk gebruik maakt van de telecommunicatiedienst. (zie art. 126n, tweede lid en art. 126u tweede lid Sv, alsmede artt. 126ua, eerste lid, tweede volzin en art. 126ua, eerste lid tweede volzin Sv, welke laatste gevallen naar de eerstgenoemde artikelen verwijzen.

 

4.5.1.4. Verkeersgegevens

 

Art. 126n Sv (nieuw) omschrijft verkeersgegevens als “gegevens over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker”. Onder dergelijke gegevens moeten worden verstaan alle gegevens die in de praktijk onder toepassing van art. 125f Sv (vervallen) en zijn opvolger art. 126n en 126u Sv door de rechtspraak werden verstaan. De memorie van toelichting noemt in algemene zin de wijze van totstandkoming en de afwikkeling van de telecommunicatie. Hieronder kan men verstaan:

 

·   Bij de communicatie betrokken aansluitnummers

o    Voor internetcommunicaties:

o    E-mailadressen, websites en IP-adressen

·   Gebruikte apparatuur, de onderliggende dienst

·   Tijdstip aanvang en duur telecommunicatie

·   Volume van de uitgewisselde informatie

·   Gebruikte doorschakelfuncties

·   Locatiegegevens van de apparatuur

o    Voor telefoon: fysiek adres

o    Voor mobiele telefoon: locatiegegevens

·   In de communicatie betrokken emailadressen (internet)

·   Website-adressen en IP-adressen (internet)

·   NAW-gegevens gebruiker

 

 

Tabel 3- Verkeersgegevens

 

Deze typen van gegevens zullen in de nog te ontwerpen Amvb worden gespecificeerd. Art. 126n en art. 126u Sv verduidelijken ten opzichte van hun voorganger 125f Sv dat het kan gaan om gegevens die door de provider zijn of worden verwerkt – dat wil zeggen dat deze reeds bestaan en ter beschikking van de provider zijn – of dat deze gegevens zullen ontstaan na het tijdstip van de vordering en vervolgens ter beschikking van de provider zullen komen. Art. 126n en art. 126u Sv hebben niet tot doel te verhinderen dat de provider de verwerking van die gegevens staakt. Het maken van een (beveiligde) kopie om aan de vordering van justitie te voldoen volstaat.

 

Over locatiegegevens mobiele telefonie moet worden opgemerkt dat hieronder wordt verstaan de gegevens over het antenneopstelpunt dat onderdeel van de communicatie zelf uitmaakt.[101] Niet als verkeersgegeven mag worden aangemerkt het gegeven in de centrale van een provider mobiele telefonie dat aangeeft via welk antenneopstelpunt de gebruiker eventueel voor inkomende communicaties kan worden bereikt (paraatstandgegevens). In dit geval zou er immers geen sprake zijn van telecommunicatie.[102] Niettemin kunnen dergelijke gegevens ter beschikking van het opsporingsonderzoek worden gebracht, echter door middel van andere bevoegdheden, omgeven met eigen waarborgen (zie ook onder toekomstige ontwikkelingen).

 

Sommige hierboven genoemde categorieën verkeersgegevens hebben alleen betekenis bij (klassieke) telefonie, andere daarentegen alleen bij internet, soms zijn in beide communicatievormen van overeenkomstige betekenis.

 

Enige uitleg verdient het opnemen van NAW-gegevens onder verkeersgegevens. Art. 126n en 126u Sv kunnen slechts toepassing vinden indien er telecommunicatieverkeer plaats vindt of heeft gevonden. Met de opname van NAW-gegevens in de Amvb Verkeersgegevens wordt buiten twijfel gesteld dat deze gegevens als onderdeel van een vordering verkeersgegevens kunnen worden verkregen. Deze worden, alhoewel de wetstekst dat niet tot uitdrukking brengt, beperkt tot NAW-gegevens. Voor de verkrijging van andere gegevens over gebruikers of in andere situaties geldt de nieuwe bevoegdheid van artt. 126na Sv en 126ua Sv.

 

4.5.1.4 Gebruikersgegevens

 

Art. 126n kan alleen toepassing vinden in relatie tot een verdachte, art. 126u Sv alleen met betrekking tot een persoon die voldoet aan de aanhef van art. 126u Sv genoemde voorwaarden. De te wijzigen artt. 126na en 126ua Sv laten deze eis los, m.a.w. elke gegeven over een abonnee kan bij een provider worden opgevraagd, ongeacht of deze persoon in enig opzicht als verdachte kan worden aangemerkt. De Memorie van Toelichting baseert deze wijziging op basis van de argumenten die werden gegeven ten aanzien van een vergelijkbare verruiming met betrekking tot de tapregeling in art. 126m en 126t Sv op grond van de BOB.[103] Aangezien dit gemakkelijk aanleiding zou kunnen geven tot een willekeurige en ongebreidelde toepassing van de bevoegdheid, noodzaakt leidt dit tot het aanbrengen van enige andere beperkingen. Die beperking wordt niet gevonden in het toekennen van de bevoegdheid aan de gewone opsporingsambtenaar in plaats van de OvJ, zoals nu in artt. 126n en 126u Sv. Wel geven art. 126na en 126ua Sv duidelijk aan om welke gegevens het gaat:

 

·   NAW-gegevens gebruiker

·   Nummer (aansluitnummer telefonie en internetadressen)

·   Soort dienst(en) die de gebruiker van de provider afneemt

 

 

Tabel 4- Gebruikersgegevens

 

Voor het overige blijft de pre-paid card regeling in het tweede lid van art. 126n en 126u Sv gehandhaafd. Het vierde lid van art. 126na en art. 126ua verwijst naar het CIOT-systeem, zoals geregeld bij het Besluit vorderen gegevens telecom, dat hiervoor al is besproken.


4.5.1.5 Overige onderdelen

 

Van het uitoefenen van de bevoegdheden van artt. 126n, 126na, 126u, 126ua Sv wordt proces-verbaal opgemaakt, onderscheidenlijk door de OvJ of in het andere geval door de opsporingsambtenaar. Genoemde artikelen specificeren welke gegevens in het p.v. moeten worden opgenomen, zoals het misdrijf dat wordt onderzocht, de eventuele naam of nadere aanduiding van de verdachte, de feiten en omstandigheden die tot toepassing van de bevoegdheid legitimeerden, de persoon met betrekking tot wie welke gegevens worden gevorderd – dit kan de verdachte te zijn maar kan ook een andere persoon betreffen (!) - , en eventueel op welke periode de gegevens betrekking hebben. Met name door het vermelden van de feiten en omstandigheden kan door de rechter de rechtmatigheid van dwangmidde worden getoetst.

In het Wetboek van Strafvordering wordt nog voorzien in twee te noemen wijzigingen/aanvullingen: de bevoegdheid tot het vorderen van gebruikersgegevens mag krachtens art. 126gg Sv ook worden toegepast bij het zgn.verkennend onderzoek. Art. 126 bb Sv verplicht de OvJ om onder de in het artikel aan een gebruiker schriftelijk te melden dat zijn telecommunicatieverkeer ten behoeve van de strafvordering is afgetapt. Dit mag worden uitgesteld indien het belang van de strafvordering zich tegen een dergelijke mededeling verzet, indien een verdachte persoon van het feit op de hoogte zal komen via zijn strafdossier en indien het uitreiken van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is. Art. 126gg Sv verwijst in algemene zin naar toepassing van de bevoegdheden in titel IVa tot en met Va. Het enkele opvragen van gebruikersgegevens bij een provider rechtvaardigt niet het opleggen van een meldingsplicht in de zin van art. 126 bb Sv. In de opsporingspraktijk zal het opvragen van gebruikersgegevens frequent geschieden, terwijl een veronderstelde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen slechts beperkt is. Het ware wetstechnisch aan te bevelen deze uitzondering in art. 126bb Sv zelf op te nemen en niet in het derde lid van art. 126na en art. 126ua Sv.

4.5.1.5 De samenhangende wijzigingen in de Tw

 

Een nieuw art. 13.2a Tw wordt als spiegelbepaling van de hiervoor behandelde bevoegdheden ingelast. Het bepaalt dat providers verplicht zijn een vordering op grond van artt. 126n en 126u Sv uit te voeren. Art. 13.2a ziet op het vergaren en/of verstrekken van zgn. verkeersgegevens en verwijst middels het tweede lid naar de nog vast te stellen Amvb.

 

De herziening van art. 13.4 Tw leidt ertoe dat het eerste lid van deze bepaling alleen nog van toepassing is het verstrekken van abonneegegevens, zoals deze kunnen worden gevorderd door toepassing van art. 126na en art. 126ua Sv. Het wetvoorstel voegt een overeenkomstige bevoegdheid toe aan art. 29 WIV, naar welke bepaling in het gewijzigde art. 13.4 Tw dan ook wordt verwezen. Het tweede lid biedt onderdak aan de bevoegdheid tot het vorderen van zgn. bijzondere nummergegevens die nu ook in art. 29 WIV wordt ondergebracht en het derde lid verwijst naar de hiervoor reeds behandelde Amvb’s Vorderen gegevens telecommunicatie en Verstrekking Bijzondere nummergegevens. In een aantal andere artikelen van de Tw wordt de term bijzondere last waar relevant vervangen door bevel of verzoek.

 

4.5.2 Overige onderwerpen Cyber Crime Verdrag

 

In het verdrag is de verplichting opgenomen dat de verdragspartijen ten behoeve van zowel binnenlandse opsporingsonderzoeken als ten behoeve van rechtshulpverlening over de wettelijke mogelijkheden beschikken om zowel telecommunicatie over openbare als met behulp van niet openbare telecommunicatienetwerken en –diensten te kunnen aftappen en met betrekking daartoe verkeersgegevens te kunnen vergaren.[104] De achterliggende reden daarvoor is dat het met betrekking tot computernetwerken eenvoudig zou zijn om zwarte gaten in de communicatieketen te creëren door deze door niet langs niet openbare netwerken te geleiden. De betreffende bepalingen gaan ervan uit dat de verdragsstaat twee typen bevoegdheden in zijn wetgeving opneemt. Aftappen/opnemen kan geschieden door middel van wettelijk afgedwongen medewerking van de betrokken providers, maar ook door het door de opsporingsautoriteiten daartoe inzetten van eigen technische middelen. Het Nederlandse systeem, dat uitsluitend werkt via de wettelijk afgedwongen medewerking van providers voldoet niet aan het verdrag. In art. 13.7 Tw is weliswaar de mogelijkheid voorzien dat providers van niet-openbare telecommunicatienetwerken en –diensten de verplichting wordt opgelegd om hun diensten aftapbaar te maken en uitvoering te geven aan de vorderingen zoals hiervoor besproken, maar deze mogelijkheid is slechts voorzien voor uitzonderlijke omstandigheden en zal eerst na verloop van enige tijd effect kunnen sorteren. Bovendien is het artikel niet in werking gesteld.

 

De implementatiewet voor het Cyber Crime verdrag die het Parlement voor de zomer 2004 zal bereiken, bevat daarom een aanvulling van de hiervoor behandelde strafvorderlijke bepalingen. Men kan zich voorstellen dat voor deze bevoegdheden op niet-openbare telecommunicatiediensten zwaardere toepassingseisen worden gesteld dan bij openbare diensten.

 

In verband hiermee zij vermeld dat het Cyber Crime verdrag bij het vergaren van de zgn. verkeersgegevens uitgaat van het beginsel “as is”. In de toelichting wordt uitvoerig gemotiveerd waarom providers niet kunnen worden verplicht tot het beschikbaar houden van historische verkeersgegevens om aan eventuele vorderingen tot verstrekking van de zijde van de strafrechtelijke autoriteiten te kunnen voldoen. In Europa dienen deze gegevens krachtens de Richtlijn Privacy en Telecommunicatie[105] te worden vernietigd voor zover en voor zolang zij niet nodig zijn voor facturering. De richtlijn voorziet, evenals het EG-verdrag, in een uitzondering wanneer het gaat om de bestrijding van strafbare feiten en de veiligheid van de staat. In het zelfde Europa is in veel landen dan ook discussie ontstaan in hoeverre providers niet ook een verplichting zou kunnen worden opgelegd om alle verkeersgegevens voor een bepaalde tijd te bewaren. Sommige landen kennen een dergelijke verplichting al (België, Italië) andere overwegen daar toe over te gaan. In het kader van de derde EG-pijler is tevergeefs getracht om tot een eenvormige Europese regeling te komen.

Het is duidelijk dat de bewaring van verkeersgegevens voor langere tijd er toe leidt dat van die gegevens een ruimer gebruik zal worden gemaakt, waardoor een ruimere kring van personen in een strafrechtelijk of veiligheidsonderzoek zal worden betrokken. Het beschikbaar zijn van grote hoeveelheden verkeersgegevens betekent niet alleen een ernstige bedreiging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen, ook voor de providers betekent het een zware last met betrekking tot de organisatie van de opslag en de verstrekking. Het is bovendien de vraag in hoeverre van de maatregel tegen de achtergrond van de maatschappelijke kosten een voldoende nuttig effect mag worden verwacht.[106] Ook hieromtrent is het laatste woord nog niet gezegd.

 

5. Internationale Rechtshulp

 

Andere staten kunnen Nederland verzoeken, zoals Nederland andere staten kan verzoeken, tot het verlenen van zgn. rechtshulp. Wanneer we ons beperken tot de zgn. kleine rechtshulp gaat het om het vergaren van bewijsmateriaal of stukken van overtuiging die zich op het territorium van de aangezochte staat bevinden. Rechtshulp wordt in de regel slechts verleend indien een verdrag daartoe verplicht, maar noodzakelijk is dat niet. De bevoegdheden die nodig zijn om rechtshulp te kunnen verrichten zijn onderdeel van het nationale recht. De verdragen regelen welke instanties van de betrokken staten rechtshulpverzoeken kunnen doen en hoe de resultaten ervan worden overgedragen. Titel X van boek IV van het WvSv regelt de afhandeling van ontvangen rechtshulpverzoeken. Art. 552k Sv geeft de royale mogelijkheid ook niet op een verdrag gegronde verzoeken uit te voeren, waarbij rekening gehouden dient te worden met de beperkingen en uitzonderingen van artt. 552l en 552m Sv Verder kan het zijn dat Nederland bij een bilateraal of multilateraal verdrag bepaalde uitzonderingen heeft gemaakt, waardoor uitvoering van het rechtshulpverzoek toch niet mogelijk is. Bij een Nederlands verzoek past de aangezochte staat zijn eigen bepalingen van internationaal strafrecht toe.

 

Het Nederlandse internationale strafrecht definieert wel procedureregels bij de afhandeling van een rechtshulpverzoek maar definieert geen afzonderlijke bevoegdheden of dwangmiddelen. De OvJ is degene die het rechtshulpverzoek ontvangt. De RC moet in een aantal gevallen worden ingeschakeld of kan worden ingeschakeld. Art. 552o, eerste lid bepaalt dat de toepassing van ten behoeve van rechtshulp een doorzoeking – en dus ook het onderzoek van een computersysteem – mogelijk is, alsmede dat art. 125i Sv door de RC kan worden toegepast. Deze verwijzing sluit toepassing van de steunbevoegdheden en overige accessoire bepalingen in. Art. 552oa Sv opent in het eerste lid de mogelijkheid tot toepassing van artt. 126m, 126n, 126t en 126u Sv ten behoeve van buitenlandse opsporingsautoriteiten autoriteiten. Het tweede lid verruimt de mogelijkheden door te bepalen dat ook andere bevoegdheden – in dit verband is art. 126na Sv van belang - kunnen worden toegepast indien het rechtshulp daartoe strekt, dwz indien daar weliswaar niet expliciet om gevraagd is maar wel nodig is om het resultaat te kunnen bereiken.

Wat betreft het onderscheppen van telecommunicatie moet worden het Europese Rechtshulpverdrag worden genoemd.[107] Ten behoeve van het onderscheppen van telecommunicatie geleiden de verdragspartijen de gewenste, specifieke communicatie door, zodat de verzoekende partij zelf het opnemen kan verrichten. Ter implementatie van het verdrag is inmiddels wetgeving aangenomen.[108]

 

6. Slotopmerkingen

 

Met deze tour d’horizon beoogde ik u een inzicht te van de invloed die de informatiemaatschappij op het rechtsgebied van het strafrecht heeft. In het materiële strafrecht is zichtbaar dat de nieuwe mogelijkheden van ICT steeds nieuwe vormen van misbruik met zich meebrengt, waartegen op grond van het bestaande strafrecht niet of onvoldoende kan worden opgetreden. Met het voortschrijden van de techniek zal het materiële strafrecht periodiek een onderhoudsbeurt dienen te ondergaan. Die voortgang van de techniek is eveneens zichtbaar op het gebied van het formele strafrecht, waar nieuwe bevoegdheden er voor moeten zorgen dat geen elektronische no go areas ontstaan, waar criminele activiteit buiten de greep van de wetshandhavers kan gedijen. Bij de invoering van nieuwe bevoegdheden dient steeds zorgvuldig rekening te worden gehouden met de rechten van de verdachte en de rechten van derden. Dit leidt tot weinig doorzichtige, complexe regelingen omringd door veel formaliteiten. In het bovenstaande treft u daarvan voorbeelden aan. Tevens wordt daaruit duidelijk dat ook het formele strafrecht behoefte heeft aan periodiek onderhoud. De cursist zal de toekomstige wetswijzigingen aan de hand van deze verhandeling gemakkelijk een plaats kunnen geven.


TEKSTBIJLAGEN

 

Artikel 80quinquies



Onder gegevens wordt verstaan iedere weergave van feiten, begrippen of instructies, al dan niet op een overeengekomen wijze, geschikt voor overdracht, interpretatie of verwerking door personen of geautomatiseerde werken.

Artikel 80sexies

 

Onder geautomatiseerd werk wordt verstaan een inrichting die bestemd is om langs elektronische weg gegevens op te slaan en te verwerken.


Art. 161sexies Sr

 

Hij die opzettelijk enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens of enig werk voor telecommunicatie vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaakt, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vijfde categorie, indien daardoor wederrechtelijk verhindering of bemoeilijking van de opslag of verwerking van gegevens ten algemene nutte of stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, ontstaat;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten te duchten is;
3°. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;
4°. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Gewijzigd, Stb, 1994, 632, Stb. 1998, 610

Artikel 161septies


Hij aan wiens schuld te wijten is dat enig geautomatiseerd werk voor opslag of verwerking van gegevens of enig werk voor telecommunicatie wordt vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, dat stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk ontstaat, of dat een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel wordt verijdeld, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor verhindering of bemoeilijking van de opslag of verwerking van gegevens ten algemenen nutte, stoornis in een openbaar telecommunicatienetwerk of in de uitvoering van een openbare telecommunicatiedienst, of gemeen gevaar voor goederen of voor de verlening van diensten ontstaat;
2°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;
3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft.

Gewijzigd Stb 1998, 610

 

Artikel 138a


1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt, als schuldig aan computervredebreuk, gestraft hij die opzettelijk wederrechtelijk binnendringt in een geautomatiseerd werk voor de opslag of verwerking van gegevens, of in een deel daarvan, indien hij
a. daarbij enige beveiliging doorbreekt of
b. de toegang verwerft door een technische ingreep, met behulp van valse signalen of een valse sleutel dan wel door het aannemen van een valse hoedanigheid.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk, indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, overneemt en voor zichzelf of een ander vastlegt.
3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft computervredebreuk gepleegd door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, indien de dader vervolgens
a. met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen gebruik maakt van verwerkingscapaciteit van een geautomatiseerd werk;
b. door tussenkomst van het geautomatiseerd werk waarin hij is binnengedrongen de toegang verwerft tot het geautomatiseerd werk van een derde.

Gewijzigd Stb 1994, 632, Stb 1995, 259, Stb. 1998, 610.

Artikel 139c


1. Hij die door middel van een openbaar telecommunicatienetwerk, of door middel van daarop aangesloten randapparatuur overgedragen gegevens die niet voor hem, mede voor hem of voor degeen in wiens opdracht hij handelt, zijn bestemd, opzettelijk met een technisch hulpmiddel aftapt of opneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het aftappen of opnemen:
1°. van door middel van een radio-ontvangapparaat ontvangen gegevens, tenzij om de ontvangst mogelijk te maken een bijzondere inspanning is geleverd of een niet toegestane ontvanginrichting is gebruikt.
2°. door of in opdracht van de gerechtigde tot een voor de telecommunicatie gebezigde aansluiting, behoudens in geval van kennelijk misbruik;
3°. ten behoeve van de goede werking van een openbaar telecommunicatienetwerk, ten behoeve van de strafvordering, dan wel ter uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002.

Gewijzigd Stb. 1994, 632 Stb. 1998, 610, St. 1999, 40, Stb. 2001, 658, Stb 2002, Stb. 148.

 Artikel 232


1. Hij die opzettelijk een betaalpas of waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van een valse of vervalste betaalpas of waardekaart als ware deze echt en onvervalst, dan wel opzettelijk zodanige betaalpas of waardekaart aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de betaalpas of waardekaart bestemd is voor zodanig gebruik.

Gewijzigd Stb. 2000, 40.

 

Artikel 273


1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk
1°. aangaande een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening bij welke hij werkzaam is of is geweest, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend gemaakt of
2°. gegevens die door misdrijf zijn verkregen uit een geautomatiseerd werk van een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening en die betrekking hebben op deze onderneming, bekend maakt of uit winstbejag gebruikt, indien deze gegevens ten tijde van de bekendmaking of het gebruik niet algemeen bekend waren en daaruit enig nadeel kan ontstaan.
2. Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste.
3. Geen vervolging heeft plaats dan op klacht van het bestuur van de onderneming.


Artikel 326c


1. Hij die, met het oogmerk daarvoor niet volledig te betalen, door een technische ingreep of met behulp van valse signalen, gebruik maakt van een dienst die via telecommunicatie aan het publiek wordt aangeboden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Met gevangenisstraf van een jaar of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk een voorwerp dat kennelijk is bestemd, of gegevens die kennelijk zijn bestemd, tot het plegen van het misdrijf, bedoeld in het eerste lid,
a. openlijk ter verspreiding aanbiedt;
b. ter verspreiding of met het oog op de invoer in Nederland voorhanden heeft of
c. uit winstbejag vervaardigt of bewaart.
3. Hij die van het plegen van misdrijven als bedoeld in het tweede lid, zijn beroep maakt of het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent wordt gestraft hetzij met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren en geldboete van de vijfde categorie, hetzij met één van deze straffen.

Gewijzigd Stb. 1995, 32.

 

Artikel 350a


1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, verandert, wist, onbruikbaar of ontoegankelijk maakt, dan wel andere gegevens daaraan toevoegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.
2. Hij die het feit, bedoeld in het eerste lid, pleegt na door tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk, wederrechtelijk in een geautomatiseerd werk te zijn binnengedrongen en daar ernstige schade met betrekking tot die gegevens veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.
3. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk gegevens ter beschikking stelt of verspreidt die bedoeld zijn om schade aan te richten door zichzelf te vermenigvuldigen in een geautomatiseerd werk, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.
4. Niet strafbaar is degeen die het feit, bedoeld in het derde lid, pleegt met het oogmerk om schade als gevolg van deze gegevens te beperken.

Gewijzigd Stb. 1994, 628, Stb. 1998, 610
 

Artikel 350b

 

1. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gegevens die door middel van een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen, wederrechtelijk worden veranderd, gewist, onbruikbaar of ontoegankelijk gemaakt, dan wel dat andere gegevens daaraan worden toegevoegd, wordt, indien daardoor ernstige schade met betrekking tot die gegevens wordt veroorzaakt, gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.
2. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gegevens wederrechtelijk ter beschikking gesteld of verspreid worden die bedoeld zijn om schade aan te richten door zichzelf te vermenigvuldigen in een geautomatiseerd werk, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.

Artikel 351


Hij die spoorweg- of elektriciteitswerken, geautomatiseerde werken voor opslag of verwerking van gegevens of werken voor telecommunicatie, werken dienend tot waterkering, waterlozing, gas- of waterleiding of riolering, voor zover deze werken ten algemenen nutte gebezigd worden, dan wel goederen of werken ten behoeve van de landsverdediging, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt, onklaar maakt of weg maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.


Artikel 374bis


Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de ambtenaar of enig ander persoon belast met het toezicht op of met de dienst ten behoeve van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst:
1°. die opzettelijk en wederrechtelijk een door tussenkomst van deze infrastructuur verzorgde, niet voor hem of niet mede voor hem bestemde gegevensoverdracht afluistert, aftapt of opneemt;
2°. die de beschikking heeft over een voorwerp waaraan, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een gegeven kan worden ontleend, dat door wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen van zodanige gegevensoverdracht is verkregen;
3°. die opzettelijk en wederrechtelijk de inhoud van zodanige gegevensoverdracht aan een ander bekendmaakt;
4°. die opzettelijk en wederrechtelijk een voorwerp waaraan een gegeven omtrent de inhoud van zodanige gegevensoverdracht kan worden ontleend, ter beschikking stelt van een ander.

Gewijzigd Stb 1998, 610.

 

Artikel 125i


1. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek kan de rechter-commissaris, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, het bevel geven dat hij van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, deze gegevens, voor zover deze zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen met gebruikmaking van een geautomatiseerd werk, zal vastleggen, hem daartoe toegang zal verlenen of naar de griffie van de rechtbank zal overbrengen, een en ander binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen.
2. Het bevel kan slechts betrekking hebben op gegevens
1°. waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die door de verdachte zijn ingevoerd, die voor hem zijn bestemd, die tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, of met betrekking tot welke het strafbaar feit is gepleegd;
2°. waarover de verdachte de beschikking heeft of
3°. die een beschrijving geven van handelingen die de verdachte met betrekking tot een geautomatiseerd werk heeft verricht.
3. Het bevel wordt mondeling of schriftelijk gegeven. In het laatste geval wordt het betekend.

Gewijzigd Stb. 1999, 243.

 

Artikel 125j


1. In geval van een doorzoeking kan vanaf de plaats waar de doorzoeking plaatsvindt, in een elders aanwezig geautomatiseerd werk onderzoek worden gedaan naar gegevens die redelijkerwijs nodig zijn om de waarheid aan de dag te brengen. Worden dergelijke gegevens aangetroffen, dan kunnen zij worden vastgelegd.
2. Het onderzoek reikt niet verder dan voor zover vanaf de plaats waar de doorzoeking wordt gedaan, de personen die aldaar wonen, plegen te werken of te verblijven, met toestemming van de rechthebbende tot een dergelijk geautomatiseerd werk, toegang hebben.

Gewijzigd Stb. 1999, 243.

 

Artikel 125k


1. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan bij een doorzoeking of bij toepassing van artikel 125j tot degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van beveiliging van een geautomatiseerd werk, het bevel worden gericht toegang te verschaffen tot de aanwezige geautomatiseerde werken of delen daarvan. Degeen tot wie het bevel is gericht, dient desgevraagd hieraan gevolg te geven door de kennis omtrent de beveiliging ter beschikking te stellen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in een geautomatiseerd werk versleutelde gegevens worden aangetroffen. Het bevel richt zich tot degeen van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van deze gegevens.

 
Gewijzigd Stb. 1999, 243.

 

Artikel 125l


Naar gegevens die zijn ingevoerd door of vanwege personen met bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218, vindt, tenzij met hun toestemming, geen onderzoek plaats voor zover daartoe hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. Een onderzoek in een geautomatiseerd werk waarin zodanige gegevens zijn opgeslagen, vindt, tenzij met hun toestemming, slechts plaats, voor zover dit zonder schending van het stands-, beroeps- of ambtsgeheim kan geschieden.

 

Artikel 125m

 

1. Een bevel als bedoeld in de artikelen 125i, of 125k wordt niet gegeven aan de verdachte.
2. De personen, bedoeld in artikel 96a, derde lid, kunnen zich verschonen van de nakoming van dit bevel.
3. Leidt een doorzoeking of de toepassing van één van de bevoegdheden genoemd in deze Afdeling, tot vastlegging van gegevens opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk, dan wordt aan de beheerder van dat geautomatiseerd werk een opgave van deze gegevens gedaan.

Gewijzigd Stb. 1999, 243.

 

Artikel 125n


1. Zodra blijkt dat de gegevens die zijn vastgelegd tijdens een doorzoeking of met toepassing van één van de bevoegdheden, genoemd in deze Afdeling, van geen betekenis zijn voor het onderzoek, worden zij vernietigd.
2. De vernietiging vindt plaats door of op last van degeen die de gegevens heeft opgenomen. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt toegevoegd aan de processtukken.
3. De officier van justitie kan bepalen dat gegevens, vastgelegd tijdens een doorzoeking of met toepassing van een van de bevoegdheden, genoemd in deze Afdeling, kunnen worden gebruikt voor:
a. een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend;
b. opslag in een register zware criminaliteit, indien het gegevens betreft omtrent een persoon als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de Wet politieregisters.
4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van het eerste lid, niet te worden vernietigd totdat het andere onderzoek is geëindigd. Is toepassing gegeven aan het derde lid, onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet te worden vernietigd, totdat de Wet Politieregisters opslag van de gegevens niet meer toestaat.


Gewijzigd Stb. 1999, 243.

 

Artikel 126m


1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar telecommunicatie opneemt met een technisch hulpmiddel.
2. Onder telecommunicatie wordt in dit artikel verstaan niet voor het publiek bestemde communicatie via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten.
3. Het bevel tot het opnemen van telecommunicatie is schriftelijk en vermeldt:
a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. het nummer waarmee de individuele gebruiker van telecommunicatie wordt geïdentificeerd, alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
d. de geldigheidsduur van het bevel.
4.  Artikel 126l, vierde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 126n



1. In geval van ontdekking op heterdaad, verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, of het misdrijf, bedoeld in artikel 138a Sr van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen inlichtingen te verstrekken terzake van alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten, heeft plaatsgevonden en ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat, dat de verdachte eraan heeft deelgenomen.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot ieder die werkzaam is bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten.
3. De artikelen 217, 218 en 219 zijn van overeenkomstige toepassing.

 
Gewijzigd Stb. 1998, 610.

 

 

Artikel 126na


1. Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126m of artikel 126n kan de officier van justitie met inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur het nummer waarmee de gebruiker van telecommunicatie kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen.
2. Het bevel wordt gegeven aan een ambtenaar als bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, onder a, van de Telecommunicatiewet en is schriftelijk. Bij dringende noodzaak kan het bevel mondeling worden gegeven. In dat geval stelt de officier van justitie het bevel binnen drie dagen op schrift.
3. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste een week en vermeldt:
a. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 126m of artikel 126n en
b. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruiker van telecommunicatie van wie het nummer moet worden verkregen.
4. De officier van justitie doet te zijnen overstaan de processen-verbaal of andere voorwerpen, waaraan een gegeven kan worden ontleend dat is verkregen door toepassing van het eerste lid vernietigen indien dat gegeven niet gebruikt wordt voor de toepassing van artikel 126m of artikel 126n.

Ingevoerd Stb. 2001, 180.

 

 

Artikel 126t


1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, bevelen dat een opsporingsambtenaar met een technisch hulpmiddel telecommunicatie opneemt waaraan een persoon deelneemt ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. Onder telecommunicatie wordt in dit artikel verstaan niet voor het publiek bestemde communicatie via een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten.
3. Het bevel tot het opnemen van telecommunicatie is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. het nummer waarmee de individuele gebruiker van telecommunicatie wordt geïdentificeerd, alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker;
d. de naam van de persoon, genoemd in het eerste lid, wanneer deze niet de houder is, en
e. de geldigheidsduur van het bevel.
4. Artikel 126s, vierde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

 
Ingevoerd Stb.1998, 610.

 

Artikel 126u


1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, , kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen inlichtingen te verstrekken terzake van alle verkeer dat over een openbaar telecommunicatienetwerk, dan wel met gebruikmaking van openbare telecommunicatiediensten heeft plaatsgevonden en ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat, dat daaraan een persoon heeft deelgenomen ten aanzien van wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat deze betrokken is bij het in het georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
2. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot ieder die werkzaam is bij een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk een aanbieder van openbare telecommunicatiediensten.
3. De artikelen 217, 218 en 219 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevoerd Stb. 1998, 610.


Artikel 126ua


Teneinde toepassing te kunnen geven aan artikel 126t of artikel 126u kan de officier van justitie bevelen dat met behulp van de apparatuur, bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet het nummer waarmee een gebruiker van telecommunicatie kan worden geïdentificeerd, wordt verkregen. Artikel 126na, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Ingevoerd Stb. 2001, 180.

 

 

Artikel 552a


1. De belanghebbenden kunnen schriftelijk zich beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave of over de kennisneming of het gebruik van gegevens opgeslagen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd tijdens een huiszoeking, alsmede over de kennisneming of het gebruik van gegevens, als bedoeld in de artikelen 100, 101, 114, 125i en 125j.
2. Het klaagschrift wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming der voorwerpen of de kennisneming der gegevens ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
3. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming of kennisneming ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming of kennisneming is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift een aanvang kon worden gemaakt. In dat geval zendt de griffier het klaagschrift ter afdoening aan het gerecht, bedoeld in het vorige lid.
4. De griffier van het gerecht dat tot afdoening bevoegd is, zendt aan degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen, indien hij noch de klager is, noch afstand van het voorwerp heeft gedaan, en zijn adres bekend is, onverwijld een afschrift van het klaagschrift en deelt hem mee dat hij zijnerzijds een klaagschrift kan indienen. Op last van de voorzitter van het gerecht stelt de griffier tevens andere belanghebbenden van het klaagschrift in kennis, hun de gelegenheid biedende hetzij zelf binnen een in de kennisgeving te vermelden termijn een klaagschrift in te dienen, betrekking hebbend op hetzelfde voorwerp, hetzij tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord. In het laatste geval geldt de kennisgeving als oproeping.
5. De behandeling van het klaagschrift door de raadkamer vindt plaats in het openbaar.
6. Acht het gerecht het beklag gegrond, dan geeft het de daarmede overeenkomende last.

Gewijzigd Stb. 1995, 254.

 

26 671, nr 2.

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Telecommunicatiewet in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II)

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

(…)

 

B

 

In artikel 80quinquies vervalt «al dan niet».

 

C

 

In artikel 80sexies worden de woorden «op te slaan en te verwerken» vervangen door: op te slaan, te verwerken en over te dragen.

 

D

 

Artikel 138a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na het woord «opzettelijk» ingevoegd het woord «en» en vervallen de woorden «voor de opslag of verwerking van

gegevens».

2. Het tweede lid komt na «computervredebreuk,» te luiden: indien de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of

overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of

opneemt.

3. In het derde lid, onderdeel a, wordt het woord «zich» vervangen door: zichzelf of een ander.

 

E

 

Na artikel 138a wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

 

Artikel 138b

 

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk, door

tussenkomst van een openbaar telecommunicatienetwerk of een Tweede Kamer, vergaderjaar 1998–1999, 26 671, nrs. 1–2 2

openbare telecommunicatiedienst, aan een ander gegevens toezendt die zijn bestemd om diens toegang tot dat netwerk of die dienst te belemmeren.

 

F

 

Artikel 139a, tweede lid, komt te luiden:

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn met een technisch hulpmiddel gegevens aftapt of

opneemt die in een woning, besloten lokaal of erf door middel van een geautomatiseerd werk worden verwerkt of overgedragen.

 

G

 

Artikel 139b, tweede lid, komt te luiden:

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en zonder daartoe gerechtigd te zijn met een technisch hulpmiddel heimelijk gegevens aftapt

of opneemt die, elders dan in een woning, besloten lokaal of erf, door middel van een geautomatiseerd werk of door middel van telecommunicatie

worden verwerkt of overgedragen.

 

H

 

Artikel 139c, eerste lid, komt te luiden:

1. Hij die opzettelijk met een technisch hulpmiddel gegevens aftapt of opneemt die door middel van een openbaar telecommunicatienetwerk of

door middel van daarop aangesloten randapparatuur worden verwerkt of overgedragen en die niet voor hem of voor degeen in wiens opdracht hij

handelt zijn bestemd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie.

 

I

 

In de artikelen 139d en 139e, onder 1°en 2°, wordt «gegevensoverdracht» telkens vervangen door: gegevensverwerking.

 

J

 

In de artikelen 161sexies en 161septies vervallen in de aanhef de woorden «voor opslag of verwerking van gegevens» en worden in

onderdeel 1° de woorden «van de opslag of verwerking» vervangen door: van de opslag, verwerking of overdracht.

 

K

 

Artikel 232 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid worden de woorden «een betaalpas of waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg»

vervangen door: een betaalpas, waardekaart of enige andere voor het publiek beschikbare kaart, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van

betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg.

 

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de valse of vervalste pas of kaart als ware deze echt en onvervalst, dan

wel opzettelijk zodanige pas of kaart aflevert of voorhanden heeft, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de pas of kaart bestemd is

voor zodanig gebruik.

 

L

 

Na artikel 273 worden vier artikelen ingevoegd die luiden:

 

Artikel 273a

De persoon werkzaam bij enige openbare instelling van vervoer die een aan zodanige instelling toevertrouwde brief, gesloten stuk of pakket

opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of de inhoud aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten

hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.

 

Artikel 273b

1. De persoon werkzaam bij enige openbare instelling van vervoer die een aan zodanige instelling toevertrouwde brief, briefkaart, stuk of pakket

opzettelijk aan een ander dan de rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toe-eigent, of de inhoud wijzigt of enig daarin gesloten

voorwerp zich toe-eigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien zodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toe-eigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of

geldboete van de vierde categorie.

 

Artikel 273c

De persoon belast met de dienst van een ten algemenen nutte gebezigde telegraafinrichting wordt gestraft:

a. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie, indien hij de inhoud van een aan

zodanige inrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt of een telegram opzettelijk en wederrechtelijk

opent, daarvan inzage neemt of de inhoud aan een ander bekendmaakt;

b. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie, indien hij een aan zodanige inrichting toevertrouwd

bericht of een telegram opzettelijk aan een ander dan de rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toe-eigent of de inhoud wijzigt.

 

Artikel 273d

Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de persoon werkzaam bij

een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst:

a. die opzettelijk en wederrechtelijk van gegevens kennisneemt die door tussenkomst van zodanig netwerk of zodanige dienst zijn opgeslagen,

worden verwerkt of overgedragen en die niet voor hem zijn bestemd, zodanige gegevens voor zichzelf of een ander overneemt, aftapt of

opneemt;

b. die de beschikking heeft over een voorwerp waaraan, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een gegeven kan worden ontleend, dat

door wederrechtelijk overnemen, aftappen of opnemen van zodanige gegevens is verkregen;

c. die opzettelijk en wederrechtelijk de inhoud van zodanige gegevens aan een ander bekendmaakt;

d. die opzettelijk en wederrechtelijk een voorwerp waaraan een gegeven omtrent de inhoud van zodanige gegevens kan worden ontleend,

ter beschikking stelt van een ander.

 

Artikel 273e

Enig in de artikelen 273a tot en met 273d bedoeld persoon die opzettelijk toelaat dat een ander een der in deze artikelen vermelde feiten

pleegt, of die ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld.

 

M

 

In artikel 285, eerste lid, wordt «waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht» vervangen door:

waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat.

 

N

 

Artikel 350a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «geautomatiseerd werk» ingevoegd «of door middel van telecommunicatie» en vervallen de woorden «dan wel

andere gegevens daaraan toevoegt,».

2. In het derde lid wordt de zinsnede «die bedoeld zijn om schade aan te richten door zichzelf te vermenigvuldigen in een geautomatiseerd

werk» vervangen door: die zijn bestemd om schade aan te richten in een geautomatiseerd werk.

 

O

 

Artikel 350b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «geautomatiseerd werk» ingevoegd «of door middel van telecommunicatie» en vervallen de woorden «dan wel

dat andere gegevens daaraan worden toegevoegd,».

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «die bedoeld zijn om schade aan te richten door zichzelf te vermenigvuldigen in een geautomatiseerd

werk» vervangen door: die zijn bestemd om schade aan te richten in een geautomatiseerd werk.

 

P

 

In artikel 351 vervallen de woorden «voor opslag of verwerking van gegevens».

 

Q

 

Artikel 371 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «van een ambtenaar van de telegrafie of van andere personen belast met de dienst van een ten

algemenen nutte gebezigde telegraafinrichting» vervangen door: van een persoon belast met de dienst van een ten algemenen nutte gebezigde

telegraafinrichting.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Met dezelfde straf wordt gestraft de ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid, zich door een persoon werkzaam bij een

aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst doet inlichten ter zake van enig verkeer dat over

dat netwerk dan wel met gebruikmaking van die dienst is geschied.

 

R

 

De artikelen 372 tot en met 375 vervallen.

 

S

 

In artikel 380, tweede lid, vervalt «, 373, laatste lid,».

 

(…)

 

V

 

In artikel 421 wordt na «225–229,» ingevoegd «273b, tweede lid,» en vervalt «373, laatste lid,».

ARTIKEL II

(…)

A

 

Artikel 125i wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek kan de rechter-commissaris, ambtshalve of op vordering van de officier van justitie, het bevel geven

dat hij van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde gegevens die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te

brengen en die ten tijde van het bevel zijn opgeslagen in een geautomatiseerd werk, deze gegevens voor de rechter-commissaris zal overnemen,

de rechter-commissaris tot deze gegevens toegang zal verlenen of deze gegevens zal overbrengen naar de griffie van de rechtbank, een en ander

binnen de termijn en op de wijze bij het bevel te bepalen.

2. Het tweede lid, onderdeel 1°, komt te luiden:

1°. waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die door de verdachte zijn ingevoerd, dat die voor hem zijn bestemd, dat die tot het

begaan van het strafbare feit hebben gediend of dat met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd;

3. Onder vernummering van het derde lid tot vierde lid wordt na het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt:

3. Op gegevens die zijn opgeslagen in het geautomatiseerd werk van een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een

openbare telecommunicatiedienst en die niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn, kan het bevel slechts betrekking hebben voor zover zij

klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem zijn bestemd of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk

met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is gepleegd.

 

B

 

Artikel 125j wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «naar» ingevoegd: in dat werk opgeslagen.

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Het onderzoek reikt niet verder dan voor zover de personen die plegen te werken of te verblijven op de plaats waar de doorzoeking

plaatsvindt, vanaf die plaats, met toestemming van de rechthebbende tot het geautomatiseerd werk, daartoe toegang hebben.

 

C

 

In artikel 125k, eerste lid, wordt «bij een doorzoeking of bij toepassing van artikel 125j» vervangen door: bij of terstond na een doorzoeking of de

toepassing van artikel 125j, tweede lid,.

 

D

 

In artikel 125m vervalt het derde lid.

 

E

Artikel 125n wordt vervangen door vier artikelen, die luiden:

 

Artikel 125n

Indien bij een onderzoek in het geautomatiseerd werk van een aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare

telecommunicatiedienst gegevens worden aangetroffen die niet voor deze bestemd of van deze afkomstig zijn, is de rechter-commissaris slechts

bevoegd te bepalen dat van deze gegevens zal worden kennis genomen, voor zover zij klaarblijkelijk van de verdachte afkomstig zijn, voor hem zijn

bestemd of tot het begaan van het strafbare feit hebben gediend, ofwel klaarblijkelijk met betrekking tot die gegevens het strafbare feit is

gepleegd.

 

Artikel 125o

1. Indien bij een onderzoek in een geautomatiseerd werk gegevens worden aangetroffen met betrekking tot welke of met behulp waarvan het

strafbaar feit is gepleegd, kan de officier van justitie dan wel, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris bepalen dat die

gegevens ontoegankelijk worden gemaakt voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van het strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe

strafbare feiten.

2. Onder ontoegankelijkmaking van gegevens opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk wordt verstaan

het treffen van maatregelen ter voorkoming dat de beheerder van dat geautomatiseerd werk of derden verder van die gegevens kennisnemen of

gebruikmaken, alsmede ter voorkoming van de verdere verspreiding van die gegevens. Onder ontoegankelijkmaking wordt mede verstaan het

verwijderen van de gegevens uit het geautomatiseerd werk, met behoudvan de gegevens ten behoeve van de strafvordering.

3. Zodra het belang van de strafvordering zich niet meer verzet tegen opheffing van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, bepaalt de

officier van justitie dan wel, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris dat de gegevens weer ter beschikking van de

beheerder van het geautomatiseerd werk worden gesteld.

 

Artikel 125p

1. Leidt een onderzoek in een geautomatiseerd werk tot vastlegging van gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt of overgedragen door

middel van een geautomatiseerd werk of tot ontoegankelijkmaking van zodanige gegevens, dan wordt zo spoedig mogelijk aan de betrokkenen

schriftelijk mededeling gedaan van deze vastlegging of ontoegankelijkmaking en van de aard van de vastgelegde of ontoegankelijkgemaakte

gegevens. De mededeling blijft achterwege, indien uitreiking van de mededeling redelijkerwijs niet mogelijk is.

2. De officier van justitie dan wel, tijdens het gerechtelijk vooronderzoek, de rechter-commissaris kan bepalen dat de in het eerste lid

bedoelde mededeling aan een betrokkene wordt uitgesteld indien en zolang het belang van het onderzoek zich tegen mededeling aan deze

betrokkene verzet.

3. Als betrokkenen in de zin van dit artikel worden aangemerkt:

a. de verdachte;

b. de beheerder van een geautomatiseerd werk als bedoeld in het eerste lid;

c. de rechthebbende van een plaats waar een doorzoeking als bedoeld in artikel 125j heeft plaatsgevonden.

4. Indien de betrokkene de verdachte is, kan mededeling achterwege blijven, indien hij door opneming in de processtukken van de gegevens op

de hoogte komt.

 

 

Artikel 125q

1. Zolang de zaak niet is geëindigd, worden de gegevens die zijn vastgelegd bij een onderzoek in een geautomatiseerd werk, voor zover zij

niet in de processtukken zijn opgenomen, bewaard en ter beschikking van het onderzoek gehouden.

2. Zodra twee maanden verstreken zijn nadat de zaak geëindigd is en de laatste mededeling, bedoeld in artikel 125p, is gedaan, worden de

gegevens, bedoeld in het eerste lid, door of op last van degeen door wie dan wel op wiens last de gegevens zijn vastgelegd, vernietigd. Van de

vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt. Artikel 126cc, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3. De officier van justitie kan bepalen dat gegevens, vastgelegd bij een onderzoek in een geautomatiseerd werk, kunnen worden gebruikt voor:

a. een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe het onderzoek in het geautomatiseerd werk is verricht;

b. opslag in een register zware criminaliteit, indien het gegevens betreft omtrent een persoon als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, onderdeel a tot

en met c, van de Wet politieregisters.

4. Indien toepassing is gegeven aan het derde lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van het tweede lid, niet te worden

vernietigd totdat het andere onderzoek is geëindigd. Is toepassing gegeven aan het derde lid, onderdeel b, dan behoeven de gegevens niet

te worden vernietigd, totdat de Wet politieregisters opslag van de gegevens niet meer toestaat.

 

F

 

(…)

 

G

 

Aan artikel 126m worden vier nieuwe leden toegevoegd, die luiden:

5. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan bij of terstond na de toepassing van het eerste lid tot degeen van wie

redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste lid bedoelde telecommunicatie, het

bevel worden gericht medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de

versleuteling ongedaan te maken.

6. Het bevel, bedoeld in het vijfde lid, wordt niet gegeven aan de verdachte.

7. De personen, bedoeld in artikel 96a, derde lid, kunnen zich verschonen van de nakoming van dit bevel.

8. Op het bevel, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 126l, vierde, zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

 

H

 

(…)

 

I

 

Aan artikel 126t worden vier nieuwe leden toegevoegd, die luiden:

5. Voor zover het belang van het onderzoek dit bepaaldelijk vordert, kan bij of terstond na de toepassing van het eerste lid tot degeen van wie

redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij kennis draagt van de wijze van versleuteling van de in het eerste lid bedoelde telecommunicatie, het

bevel worden gericht medewerking te verlenen aan het ontsleutelen van de gegevens door hetzij deze kennis ter beschikking te stellen, hetzij de

versleuteling ongedaan te maken.

6. Het bevel, bedoeld in het vijfde lid, wordt niet gegeven aan de verdachte.

7. De personen, bedoeld in artikel 96a, derde lid, kunnen zich verschonen van de nakoming van dit bevel.

8. Op het bevel, bedoeld in het vijfde lid, is artikel 126s, vierde, zesde en zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

 

J

 

Na artikel 353 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

 

Artikel 354

1. In de gevallen, bedoeld in artikel 353, eerste lid, neemt de rechtbank tevens een beslissing over de met toepassing van artikel 125o ontoegankelijk

gemaakte gegevens indien de desbetreffende maatregelen nog niet zijn opgeheven.

2. De rechtbank kan gelasten dat de gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met betrekking tot welke of met behulp waarvan een

strafbaar feit is begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. In alle andere gevallen gelast zij

dat de gegevens weer ter beschikking van de beheerder van het geautomatiseerd werk worden gesteld.

 

K

 

Artikel 552a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

1. De belanghebbenden kunnen schriftelijk zich beklagen over inbeslagneming, over het gebruik van inbeslaggenomen voorwerpen, over het uitblijven van een last tot teruggave, over de kennisneming of het gebruik van gegevens opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een geautomatiseerd werk en vastgelegd bij een onderzoek in

zodanig werk, over de kennisneming of het gebruik van gegevens als bedoeld in de artikelen 100, 101 en 114, alsmede over de ontoegankelijkmaking

van gegevens aangetroffen in een geautomatiseerd werk, bedoeld in artikel 125o, de opheffing van de desbetreffende maatregelen of het

uitblijven van een last tot zodanige opheffing.

2. In het tweede lid wordt «na de inbeslagneming der voorwerpen of de kennisneming der gegevens» vervangen door: na de inbeslagneming van

de voorwerpen of de kennisneming of ontoegankelijkmaking van de gegevens.

3. In het derde lid wordt «of kennisneming» telkens vervangen door:, kennisneming of ontoegankelijkmaking.

4. In het vierde lid, tweede volzin, wordt na «hetzelfde voorwerp» ingevoegd: of dezelfde gegevens.

 

L

 

Na artikel 552f wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

 

Artikel 552fa

1. Bij een afzonderlijke rechterlijke beschikking op vordering van de officier van justitie kan worden gelast dat de met toepassing van artikel

125o ontoegankelijk gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft met betrekking tot welke of met behulp waarvan een

strafbaar feit is begaan, voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.

2. Aan de beheerder van het geautomatiseerd werk waarin de gegevens zijn of waren opgeslagen wordt een afschrift van de vordering betekend.

3. Artikel 552f, eerste, vierde, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien het gerecht de vordering afwijst, gelast het dat de gegevens weer ter beschikking van de beheerder van het geautomatiseerd werk

worden gesteld.

 

(…)

 

 

Wet van 18 maart 2004 tot wijziging van het wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de aanpassing van de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens terzake van telecommunicatie (vorderen gegevens telecommunicatie) Stb 2004, 105.

 

ARTIKEL I

 

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

Artikel 126n komt te luiden:

ARTIKEL 126n

1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te verstrekken over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:

a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel

b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.

2. Onder een gebruiker van telecommunicatie wordt in dit artikel verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van een openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van een openbare telecommunicatiedienst, alsmede de natuurlijke persoon of rechtspersoon

die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk of een openbare telecommunicatiedienst.

3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk iedere aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de vordering gedaan voor een periode van ten hoogste drie maanden.

5. De officier van justitie maakt van de vordering proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:

a. het misdrijf en, indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, zijn vervuld;

c. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie gegevens worden gevorderd;

d. de gegevens die worden gevorderd;

e. indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, de periode waarover de vordering zich uitstrekt.

6. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de vordering beëindigd zodra niet meer

wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de

vordering maakt de officier van justitie proces-verbaal op.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens door de

officier van justitie worden gevorderd.

 

B

 

Onder vernummering van artikel 126na tot 126nb wordt na artikel 126n een artikel ingevoegd, dat luidt:

 

Artikel 126na

1. In geval van verdenking van een misdrijf kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens

te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van telecommunicatie. Artikel 126n,

tweede en derde lid, is van toepassing.

2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van artikel 126m of artikel

126n kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van

bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.

3. In geval van een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 126n, vijfde lid, onder a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing

en blijft artikel 126bb buiten toepassing.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens door de

opsporingsambtenaar of de officier van justitie worden gevorderd.

 

C

 

Artikel 126u komt te luiden:

 

Artikel 126u

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens te

verstrekken over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker. De vordering kan slechts betrekking hebben

op gegevens die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen en kan gegevens betreffen die:

a. ten tijde van de vordering zijn verwerkt, dan wel

b. na het tijdstip van de vordering worden verwerkt.

2. Onder een gebruiker van telecommunicatie wordt in dit artikel verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon die met de aanbieder

een overeenkomst is aangegaan met betrekking tot het gebruik van een openbaar telecommunicatienetwerk of de levering van een openbare

telecommunicatiedienst, alsmede de natuurlijke persoon of rechtspersoon die daadwerkelijk gebruik maakt van een openbaar telecommunicatienetwerk

of een openbare telecommunicatiedienst.

3. De vordering, bedoeld in het eerste lid, kan worden gericht tot iedere aanbieder van een openbaar telecommunicatienetwerk, onderscheidenlijk

iedere aanbieder van een openbare telecommunicatiedienst. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt vordering gedaan voor een periode van ten

hoogste drie maanden.

5. De officier van justitie maakt van de vordering proces-verbaal op, waarin hij vermeldt:

a. een omschrijving van het georganiseerd verband;

b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, zijn vervuld;

c. indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de persoon omtrent wie gegevens worden gevorderd;

d. de gegevens die worden gevorderd;

e. indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, de periode waarover de vordering zich uitstrekt.

6. Indien de vordering gegevens betreft als bedoeld in het eerste lid, tweede volzin, onder b, wordt de vordering beëindigd zodra niet meer

wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin. Van een wijziging, aanvulling, verlenging of beëindiging van de

vordering maakt de officier van justitie proces-verbaal op.

7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens door de

officier van justitie worden gevorderd.

 

D

 

Onder vernummering van artikel 126ua tot 126ub wordt na artikel 126u een artikel ingevoegd, dat luidt:

 

Artikel 126ua

1. In een geval als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, kan de opsporingsambtenaar in het belang van het onderzoek een vordering doen gegevens

te verstrekken terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van telecommunicatie. Artikel 126u,

tweede en derde lid, is van toepassing.

2. Indien de gegevens, bedoeld in het eerste lid, bij de aanbieder niet bekend zijn en zij nodig zijn voor de toepassing van artikel 126t of artikel

126u, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek vorderen dat de aanbieder de gevorderde gegevens op bij algemene maatregel van

bestuur te bepalen wijze achterhaalt en verstrekt.

3. In geval van een vordering als bedoeld in het eerste of tweede lid is artikel 126u, vijfde lid, onder a, b, c en d, van overeenkomstige toepassing

en blijft artikel 126bb buiten toepassing.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de gegevens door de

opsporingsambtenaar of de officier van justitie worden gevorderd.

 

E

 

In artikel 126ub wordt «kan de officier van justitie bevelen dat met behulp van de apparatuur, bedoeld in artikel 3.10, vierde lid, van de

Telecommunicatiewet » vervangen door: kan de officier van justitie met inachtneming van artikel 3.10, vierde lid, van de Telecommunicatiewet

bevelen dat met behulp van in dat artikel bedoelde apparatuur.

 

F

 

In het eerste lid van de artikelen 126cc en 126dd worden de woorden «of het onderzoek van telecommunicatie» telkens vervangen door: het

opnemen van telecommunicatie of het vorderen van gegevens over een gebruiker en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die

gebruiker.

 

ARTIKEL II

 

In artikel 1, onder 2°, van de Wet op de economische delicten wordt in de zinsnede met betrekking tot de Telecommunicatiewet na «13.2,»

ingevoegd: 13.2a,.

 

ARTIKEL III

 

De Telecommunicatiewet wordt als volgt gewijzigd:

 

A

Artikel 3.10, vierde lid, onder c, komt te luiden:

c. dit plaatsvindt met het doel de gegevens, bedoeld in artikel 13.4, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 13.4, tweede lid, te achterhalen en het

door de aanbieder voldoen aan de vordering van deze gegevens onvoldoende het belang van de strafvordering dient.

 

B

In artikel 13.2, eerste en tweede lid, wordt «een bevoegd gegeven bijzondere last» telkens vervangen door: een bevel op grond van het

Wetboek van Strafvordering.

 

C

 

Na artikel 13.2 wordt een artikel ingevoegd, dat luidt:

Artikel 13.2a

1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van

artikel 126n of artikel 126u van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 28 van de Wet op de inlichtingen- en

veiligheidsdiensten 2002 tot het verstrekken van gegevens over een gebruiker van een openbaar telecommunicatienetwerk dan wel een

openbare telecommunicatiedienst en het telecommunicatieverkeer met betrekking tot die gebruiker.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanbieders aan de vordering of het

verzoek voldoen en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar worden gehouden.

 

D

 

Artikel 13.4 komt te luiden:

Artikel 13.4

1. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van

artikel 126na, eerste lid, of 126ua, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet op

de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het verstrekken van gegevens terzake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en

soort dienst van een gebruiker van een openbaar telecommunicatienetwerk dan wel een openbare telecommunicatiedienst.

2. Aanbieders van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten voldoen aan een vordering op grond van

artikel 126na, tweede lid, of 126ua, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dan wel een verzoek op grond van artikel 29 van de Wet op

de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 tot het op bij algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze achterhalen en verstrekken van de

gegevens, bedoeld in het eerste lid. Teneinde aan deze verplichting te kunnen voldoen bewaren de aanbieders bij algemene maatregel van

bestuur aan te wijzen gegevens voor een periode van drie maanden, vanaf het tijdstip waarop deze gegevens voor de eerste maal zijn

verwerkt.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop de aanbieders aan een vordering of

een verzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, voldoen en de wijze waarop de gegevens, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar worden

gehouden.

 

E

 

In artikel 13.5, eerste lid, wordt «en informatieverstrekkingen als bedoeld in artikel 13.4» vervangen door: dan wel een vordering of een

verzoek als bedoeld in artikel 13.2a of artikel 13.4, eerste of tweede lid.

 

F

 

In artikel 13.6, tweede lid, wordt «onderscheidenlijk het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 13.4» vervangen door: dan wel een

vordering of een verzoek als bedoeld in artikel 13.2a of artikel 13.4, eerste of tweede lid.

 

(…)

 

ARTIKEL V

 

Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie op de artikelen 13.1, tweede lid, 13.2, derde

lid, 13.4, derde lid, en 20.18 van de Telecommunicatiewet en de artikelen 126n, zevende lid, 126na, vierde lid, 126u, zevende lid, en 126ua, vierde

lid, van het Wetboek van Strafvordering.

 

(…)

 

 



[1] De auteur is hoogleraar-directeur Instituut voor Informatica en Recht van de Vrije Universiteit Amsterdam.

[2] Verdrag van 24 november 2001, Trb 2001, 18.

[3] Het eerste aanvullende protocol van 28 januari 2002 gaat over racistische en xenophobe uitingen (Trb 2003, 60).

[4] Wet van 24 december 1992, Stb. 1993, 33. In de tekst hierna wordt hiernaar verwezen met de aanduiding CCI of ‘de wet van 1993’.

[5] Informatietechniek en Strafrecht, Den Haag 1987.

[6] Aanbeveling van de Raad van Ministers van de Raad van Europa d.d. september 1989, R (89) 9.

[7] Stb. 1998, 610.

[8] TK 1998-1999, 26 671 nrs. 1-6.

[9] Aanbeveling van het Comité van Minister van de Raad van Europa d.d. september 1995, R (95), 13.

[10] Nota van wijziging, d.d. 13 april 2000, TK 1999-2000, 26 671, nr. 5.

[11] TK 2002-2003, 29 025, nrs  1-5.

[12] Protocol ex art. 34 van het Verdrag van de Europese Unie betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie d.d. 16 oktober 2001, Trb. 2001, 187. Wetsvoorstellen 28351, 28252 en 28353,  Stb 2004, 106, 107, 108, 109.

[13] Stb. 1999, 245.

[14] Stb. 1999, 243.

[15] Kamerstukken 2002-2003, 28 059, inmiddels Stb 2004, 105, inwerkingtreding open.

[16] Hof Arnhem, 27 oktober 1983, NJ 1984, 80; HR 23 mei 1921, NJ 1921 p. 564.

[17] Kaspersen, Strafbaarstelling van computermisbruik, diss 1990, p. 73-80.

[18] HR 3 december 1996, NJ 1997, 574.

[19] Zie voorgestelde tekstwijziging op art. 138a Sr, TK 1998-1999, 26671, nr. 2 onderdeel D.

[20] Hierdoor ontstaan ‘valse sleutels’ Zie de parallel met een huissleutel in de zin van art. 90 Sr: een huissleutel die op een slot past is ten aanzien van dat slot vals indien gebruikt door iemand niet gerechtigd is tot dat gebruik (HR 20 mei 1986, NJ 1987, 130).

[21] De valse hoedanigheid bestaat daar in dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als een toegangsgerechtigde.

[22] HR 12 januari 1999, NJ 1999, 277; vgl. ook HR 19 december 1995, CR 1996, blz. 235-241 m. nt. Chr. H. van Dijk.

[23] In de definitie van art. 1.1 onder c Tw komt de term ‘openbaar’ weliswaar niet voor, maar tegen de achtergrond van de telecommunicatiewet zal men gegevensverkeer over korte afstand en door middel van niet-openbare diensten niet onder ‘telecommunicatie’ begrijpen.

[24] TK 1998-1999, 26 671, nr. 2 onderdeel L.

[25] H.W.K.Kaspersen, Strafbaarstelling van Computermisbruik, a.w., p. 316-317, en Computerrecht 1987, p. 177; F.H. Charbon en H.W.K. Kaspersen, Rapport Computercriminaliteit in Nederland, november 1990, p. 66: G. Vandenberghe, Computerrecht 1987, p. 173; F.P.E. Wiemans (red.), Computercriminaliteit, Commentaren op het wetsvoorstel computercriminaliteit, a.w., p. 46-47.

[26] Uit het gepubliceerde vonnis blijkt jammer genoeg alleen van het feit en niet van de modus operandi. Zie vonnis d.d. 30 november 2003, AN 8622, http://www.rechtspraak.nl.

[27] TK 1998-1999, 26 671, nr. 2 onderdeel N.

[28] Vonnis Rechtbank Leeuwarden d.d. 27 september 2001, AD3861 http://www.rechtspraak.nl. Zie ook met noot Kaspersen, CR 2001, p.313-315.

[29] Amendement Koffeman en Jurgens, TK 1991-1992, 21 551, nr. 17.

[30] Rb Den Haag 1989 d.d. 9 juni 1989, m.nt. Kuitenbrouwer, Computerrecht 1989, p. 205-206.

[31] MvT TK 21 551, nr. 3, p. 19.

[32] Verschillende grote sites zijn slachtoffer geweest van dergelijke aanvallen: e-Bay, Amazon.com, Buy.com Zie bijvoorbeeld http://news.com.com d.d. 9 februari 2000.

[33] TK 1998-1999, 26 671, nr. 2 onderdeel E.

[34] R(89) 9.

[35] Informatietechniek en Strafrecht, Den Haag 1987.

[36] Het bestaan van een arbeidsovereenkomst is geen vereiste.

[37] Geheimhouding behoeft niet te zijn overeengekomen, maar kan eenzijdig door de onderneming worden opgelegd. HR 14 januari 1935, blz. 430 e.v.

[38] Men denke onder meer aan huis- of lokaalvredebreuk (artt. 138 en 139 Sr), omkoping (artt. 177 e.v Sr) of afpersing (art. 317 ev Sr).

[39] Zie artt. 64 e.v. Sr.

[40] De handeling zou overtreding van art. 31 Aw e.v. op kunnen leveren. Voor de vaststelling daarvan bevat de casus echter onvoldoende gegevens.

[41] Ook het door middel van een pasje en PIN-code (onbevoegdelijk) opnemen van geld uit een geldautomaat, is bewegen tot afgifte (HR 19 november 1991, NJ 1992, 124).

[42] HR 18 juni 1968, NJ 1969, 70.

[43] HR 27 november 1939, NJ 1940, 219.

[44] Anders E.J. Dommering et al.,Handboek Telecommunicatie, Den Haag 1999, p. 281.

[45] HR 15 april 2003, NJ 2003, 333.

[46] Rb Haarlem 16 januari 2003, CR 2003, p.154-156, m.nt. Kaspersen.

[47] HR 18 februari 1972, NJ 1972, 210.

[48] Kaspersen, Strafbaarstelling van computermisbruik, diss. p. 90-112.

[49] Rb Almelo d.d. 1 mei 2001, AB1447, http://www.rechtspraak.nl

[50] HR 15 januari 1991, NJ 1991, 668.

[51] Zie een voorbeeld uit het pre-computertijdperk: een enkel nummer op een auto onderdeel is geen geschrift in de zin van art. 225 Sr (HR 15 juni 1931, NJ 1932, 1342).

[52] EU-Kaderbesluit d.d. 28 mei 2001, PbEG L 149, TK 2002-2003 29 025, nrs. 1-5. Na verschijnen van dit artikel zal de wet het staatsblad hebben bereikt.

[53] Rb Amsterdam 3 juli 2003, CR 2003, p. 316-317 m.nt. Kaspersen.

[54] Zoals het artikel luidt na wijzing met Stb. 1995, 575 en Stb. 2002, 388.

[55] Voorstel tot een Kaderbesluit COM (2001) 664.

[56] Idem COM (2000) 854-3.

[57] TK 2002-2003, 28 851, thans in behandeling bij de Eerste Kamer.

[58] TK 2002-2003 28 197.

[59] Zie motie van Dam over een meldpunt spam, TK 2003-2004, 28197, nr. 18, alsmede vragen van hetzelfde Kamerlid Aanhangsel Handelingen TK 2003-2004, nr. 494.

[60] Art. 7 EU-Richtlijn d.d 14 mei 1991 nr. 91/250/EG.

[61] Voorzieningenrechter Breda d.d. 24 februari 2002, AE 1864, www.rechtspraak.nl

[62] Zie eigen (internationale) site met meldpunt softwarepiraterij http://www.gflobal.bsa.org

[63] HR 19 december 2003, AN7253, http://rechtspraak.nl. De Hoge Raad komt in zijn arrest niet toe aan de beantwoording van rechtsvragen, met name of er sprake is van een auteursrechtelijke inbreuk of andere onrechtmatige daad door KAZAA. A-G. Verkade is van mening dat er KAZAA geen inbreuk maakt.

[64] Zie hierover uitvoerig Koops en Prins in hun bijdrage onder de titel De toenemende strafbaarstelling van technische hulpmiddelen: over intenties bestemmingen en instrumentele wetgeving, in: liber amicorum J. de Hullu, Nijmegen 2003, p. 341-386.

[65] Gegevensvergaring in strafvordering, rapport cie Mevis, mei 2001, zie kabinetsstandpunt TK 2001-2002,28 366, nr. 1. Wetsvoorstel TK 2003-2004, 29441, nrs. 1-3.

[66] TK 1989-1990, 21 551, nr. 3, p. 12, 13.

[67] Informatietechniek en strafrecht, a.w., p. 80.

[68] Stb. 1999, 243.

[69] TK 1998-1999, 21 551, nr. 3, p. 26.

[70] Rb Amsterdam d.d. 21 mei 1999, CR 1999, p. 196-198.

[71] TK 2003-2004, 29441, nrs 1-3.

[72] Stb. 2002, 148.

[73] Omdat de term “aanbieder van openbare telecommunicatienetwerken en openbare telecommunicatiediensten nog wel vaker zal moeten vallen gebruik ik voor deze mondvol de term provider.

[74] F.H.Charbon en H.W.K.Kaspersen, Computercriminaliteit in Nederland, Den Haag 1990, p. 141.

[75] Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer 2003-2004, nr. 1035, p. 2164.

[76] Zie Kamervragen van Marijke Vos, Aanhangsel Handelingen TK 2002-2003, nrs. 1035 en 1553.

[77] Het internationaal publiekrecht biedt landen die zich ter bescherming van hun burgers tegen het gebruik van dit systeem door de USA en de Gemenebestlanden zouden willen verzetten geen aanknopingspunten. Zie de discussie in het Europese Parlement en in de Nederlandse Tweede Kamer, TK 2000-2001, 27591, nrs. 1 en 2.

[78] TK 28 851, zie Hand. TK 19-117 van 4 november 2003.

[79] Art. 126l, vierde lid Sv is van toepassing.

[80] HR 11 februari 1986, NJ 1986, 661 Zie ook HR 7 april 1998, NJ 1998, 59

[81] EHRM d.d. 6 september 1978 Klass vs. Duitsland.

[82] Aanhangsel handelingen Tweede Kamer, 2002-2003, nr. 1035, p. 2164.

[83] Besluit van 1 december 1998, Stb. 1998, 642, zoals gewijzigd  per 26 januari 2000 (Stb 2000, 71) en per 5 juni 2001 (Stb. 2001, 262).

[84] Legale interceptie van telecommunicatieverkeer, d.d. 17 januari 1995, PbEG C 329.

[85] Tijdelijke regeling aftappen openbare telecommunicatienetwerken en –diensten, Staatssecretaris V&W d.d. 9 december 1998, Stcrt 1998, 238, vervangen door de Tijdelijke regeling aftappen openbare telecommunicatienetwerken en –diensten 2000, Staatssecretaris V&W d.d. 16 februari 2000, Stcrt 2000, 41, vervangen door de definitief bedoelde Regeling aftappen, Staatssecretaris V&W d.d. 30 mei 2001, Stcrt 2001, 107.

[86] TK 1997/98, 25 533, nr. 82.

[87] Beleidsregels ontheffingverlening aftapbaarheid Internetdiensten van 3 mei 1999, Strcrt 1999, 86; Beleidsregels ontheffingverlening aftapbaarheid Internetdiensten 2000 van 11 juni 2000, Stcrt 2000, 133.

[88] Vragen Kamerlid Bakker, Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer, 2000-2001, nr. 1155, p. 2403-2405.

[89] Voor telefonie e.d. is dit het abonneenummer. Voor internet-communicatie is dit bijvoorbeeld een e-mailadres of een IP-nummer. Zie verder hierna.

[90] Besluit verstrekking gegevens telecommunicatie, Stb. 2000, 71. Het besluit is overigens nog niet van kracht, behoudens art. 10 dat enkele voornamelijk ondergeschikte en redactionele wijzigingen aanbrengt in het hierboven genoemde Besluit aftappen openbare telecommunicatienetwerken en –diensten. In de praktijk wordt het CIOT op vrijwillige basis toegepast.

[91] MSIDN-nummer staat voor Mobile Station Integrated Systems Digital Network nummer.

[92] Besluit van 16 december 2002, Stb. 2003, 22.

[93] Besluit van 18 december 2001, Stb  2002, 31.

[94] Besluit beveiliging gegevens aftappen telecommunicatie, Stb 2003, 472, nog niet in werking.

[95] Zie Wetsvoorstel vorderen gegevens telecommunicatie onder paragraaf 4.5.1 hierna.

[96] Instellingsbesluit deelorgaan aftappen d.d. 21 mei 1999, Stcrt 1999, 108.

[97] TK 2001-2002, 28 059, nrs 1-3.

[98] TK 57-3537.

[99] EK 2002-2003 28 059, nr. 187 en 187a, EK 2003-2004, 28 059, A.

[100] TK 2001-2002 28 059, nr. 3, p. 2 en 3.

[101] Hof Arnhem 5 februari 201, NJ 2001, 429.

[102] TK 2001-2002, 28 059, nr. 3, p. 8 en 9. Zie ook Kaspersen, in |Recht en Computer, Deventer 2001, p.436.

[103] TK 2001-2002 28 059, nr. 3, p 9. Zie TK 25 403, nr. 3, p. 39-40.

[104] Zie art. 19 en 20, alsmede art. 28 en 29 van het verdrag.

[105] EU-Richtlijn 2002/58/EG ter vervanging van de versie uit 1997.

[106] A. Patijn, Verplichte opslag van verkeersgegevens, Computerrecht 2003, 134-138.

[107] Trb. 2000, 96.

[108] TK 2001-2202 28 351, 28 352 en 28352, inmiddels Stb. 2004, 106, 107, 108, 109.