Computer/Law Institute

Vrije Universiteit, Amsterdam

english

mr K.J. Koelman

Noot bij: Vzr. Rb. Leeuwarden 30 oktober 2003 (Vriend/Batavus)

K.J. Koelman, AMI, pages 32-35, 2004.

Noot bij ;Vzr. Rb. Leeuwarden 30 oktober 2003 (Vriend/Batavus);

K.J. Koelman

Verschenen in AMI 2004, p. 32-35.

Dit is de tweede Nederlandse uitspraak over de zogenaamde ‘framed hyperlink’.[1] Dat is een hyperlink die de webpagina waarnaar wordt verwezen opent binnen de site van degene die de link heeft aangebracht. Bij de ‘gewone’ of ‘eenvoudige’ hyperlink verdwijnt de pagina waarvandaan wordt verwezen, terwijl bij een framed link delen van die pagina zichtbaar blijven, als de link wordt geactiveerd. De pagina waarnaar wordt verwezen kan daardoor deel lijken uit te maken van de website waarvandaan de hyperlink verwijst.

Fietsenverkoper Vriend was niet lang geleden nog dealer van Batavus. Maar omdat een belangrijke andere klant van Batavus liever niet had dat Vriend de fietsen (goedkoper online) bleef aanbieden, werd de relatie verbroken. Vriend verkoopt via zijn website echter nog steeds Batavus fietsen die hij langs andere kanalen verkrijgt. Op die site staat een pagina met zijn assortiment en op die pagina waren de beeldmerken te zien van de fietsfabrikanten wier fietsen hij verkoopt (afbeelding 1). Onder het beeldmerk van Batavus was een hyperlink aangebracht, waardoor zich een nieuw venster opende, als met de muis op dat merk werd geklikt. Het bovenste deel van het nieuwe venster was door Vriend verzorgd, terwijl het onderste deel van de website van Batavus kwam (afbeelding 2). Althans, zo had Vriend het zich voorgesteld. Maar blijkbaar slaagde Batavus er in om technisch te verhinderen dat haar pagina op deze manier werd ‘geframed’.

 

 

Vriend vorderde daarop een verbod op het blokkeren van het ‘framen’ van de site van Batavus. In reconventie stelde Batavus onder meer dat met het framed linken inbreuk wordt gemaakt op haar auteursrecht en dat deze manier van verwijzen onrechtmatig is, omdat het misleidend is. De rechter geeft Batavus gelijk. Hij meent dat het hyperlinken op zichzelf weliswaar geen verveelvoudiging oplevert, maar dat het in een kader van de eigen site weergeven van pagina’s van Batavus toch onrechtmatig is en het auteursrecht schendt, omdat de indruk wordt gewekt dat het geframede gedeelte eigen materiaal van Vriend betreft. Zou de rechter bedoelen dat het recht van openbaar maken wordt geschonden, omdat de indruk ontstaat dat het materiaal van Vriend afkomstig is? Mijns inziens maakt het voor het recht van openbaar maken niet uit waarvandaan het materiaal lijkt te komen. Van belang is immers wat de beweerdelijke inbreukmaker doet – stelt hij het werk aan het publiek ter beschikking? – en niet welke indruk door zijn gedrag wordt gewekt.[2] Over de vraag of hyperlinken in het algemeen het openbaarmakingsrecht schendt kan men twisten; eventueel kan bijvoorbeeld worden gesteld dat het een nieuwe openbaarmaking oplevert, zoals kabeldoorgifte dat doet. Als dit echter het geval zou zijn, zou het vermoedelijk niet alleen gelden voor framed linken, maar voor iedere vorm van hyperlinken, waardoor elektronisch verwijzen in beginsel aan toestemming onderhevig zou zijn. Dit resultaat wil de rechter echter uitdrukkelijk vermijden.

Het ligt wellicht meer voor de hand om aan te nemen dat framed linken de morele rechten kan schenden.[3] Het is bijvoorbeeld voorstelbaar dat een websitehouder onder omstandigheden kan optreden op grond van artikel 25 lid 1 sub d Aw, indien een pagina van zijn site wordt tentoongesteld in een venster van een andere website, en daarom in een omgeving, ‘van min allooi’. Uit niets blijkt echter dat de rechter hierop doelt. Aangezien hij doorslaggevend acht dat de indruk wordt gewekt dat de geframede pagina van Vriend afkomstig is, wil de rechter wellicht aanhaken bij het persoonlijkheidsrecht op naamsvermelding. Problematisch hieraan is dat de morele rechten aan de maker toekomen en uit de uitspraak niet blijkt dat Batavus maker – of zelfs maar auteursrechthebbende – van de geframede website is.

Overtuigender is de stelling dat het framen in dit geval onzorgvuldig is onder artikel 6:162 BW, omdat het onnodig verwarring teweegbrengt of misleidend is.[4] In het door Vriend verzorgde gedeelte van het nieuw geopende venster kon men de fietsen bestellen die in het van Batavus afkomstige gedeelte werden beschreven (afbeelding 2). Hierdoor zou de consument kunnen denken dat hij met een aan Batavus gelieerde fietsverkoper of rechtstreeks met Batavus zaken doet. Uiteraard hoeft er niet altijd een verkeerde indruk te ontstaan als er wordt geframed. Het hangt af van de context of het voor bezoekers voldoende duidelijk is dat op een pagina onderdelen staan die van andere websites komen. Het had niet misstaan als de rechter had gemotiveerd waarom er in casu onrechtmatig verwarring werd gesticht. Zo verschilden de kleur en opmaak van het gedeelte van Vriends website duidelijk van de vormgeving van de site van Batavus en krijgt de bezoeker de geframede pagina slechts te zien, als hij klikt op een link op de site van Vriend. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat de gemiddelde websurfer niet in de gaten zou hebben dat een deel van het venster afkomstig was van een ander en dat hij de fiets bij Vriend bestelde en niet bij Batavus. Niettemin is het oordeel van de rechter ook niet onbegrijpelijk.

Enkele jaren geleden kwam de framed link naar een andere website veel voor. Tegenwoordig wordt hij zelden nog aangetroffen. Eén reden daarvoor is wellicht dat in de literatuur wordt verkondigd dat framen een juridisch risico met zich meebrengt.[5] Wie het zekere voor het onzekere wil nemen vermijdt de framed link. Een andere oorzaak kan zijn dat technisch kan worden voorkomen dat een pagina door een ander wordt geframed. De rechter oordeelt dat dergelijke technieken mogen worden toegepast, omdat er geen recht bestaat op de ongestoorde werking van een hyperlink. Dit lijkt mij juist. Ook als er geen auteursrechtinbreuk wordt gepleegd, kan degene die feitelijk over informatie kan beschikken het gebruik van die informatie aan anderen ontzeggen of aan het gebruik ervan voorwaarden stellen. Al is men geen auteursrechthebbende op de inhoud van een boek, men hoeft niet iedereen binnen te laten om dat boek te kunnen lezen. Eveneens kan een voetbalclub de toegang tot het stadion controleren en op basis daarvan voorwaarden stellen aan het gebruik van beelden van de niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermde wedstrijden.[6] Verder zijn ook knowhowlicenties op dit gegeven gebaseerd. Dat men gebruik op grond van het auteursrecht niet kan controleren, wil nog niet zeggen dat men het gebruik ook niet mág controleren. Het betekent wel dat er geen absoluut (exclusief) recht bestaat ten aanzien van het gebruik.

Het laatste kan in de nabije toekomst veranderen. Het omzeilen van een techniek die framed linken naar auteursrechtelijk beschermd materiaal verhindert, kan dan worden aangepakt op basis van de bescherming van technische voorzieningen van het nieuwe artikel 29a Aw. Wanneer de framed link technisch is geblokkeerd, zal men wettelijk toestemming nodig hebben om zo’n link rechtmatig te kunnen aanbrengen. Dat is ook het geval, indien het binnen een venster van de eigen website weergeven van materiaal van de site van een ander géén verveelvoudiging of openbaarmaking van dat materiaal oplevert.[7]

 

 

 

 

 

 



[1] De eerste was Pres. Rb. Den Haag 17 augustus 2000, Mediaforum 2000, p. 353, m.nt. Visser (Trip6 en Glennie/Gamepoint).

[2] Anders: D. Lakerveld & T. van der Linden-Smith, ‘Verboden links’, NJB 2003, p. 1492.

[3] Vgl. de Amerikaanse uitspraak Futuredontics Inc. v. Applied Anagramic Inc., 1997 46 USPQ 2d 2005 (C.D. Calif. 1997) en in hetzelfde geschil 1998 U.S. Dist. LEXIS 2265; 45 U.S.P.Q.2D (BNA) 2005, waar de rechter oordeelde dat degene die een framed link aanbracht auteursrechtinbreuk pleegde, omdat de website die werd geframed door het framen anders overkwam en dus werd gewijzigd. De Amerikaanse rechter oordeelde dat het framen daardoor een bewerking opleverde (derivative work). Naar Nederlands recht kan deze lijn van redeneren echter moeilijk worden gevolgd, omdat de bewerking een species is van de verveelvoudiging en algemeen wordt aangenomen dat degene die een hyperlink aanbrengt de pagina waarnaar wordt verwezen niet (zelf) verveelvoudigt.

[4] Zie hierover M. de Cock Buning & M. Vermeer, ‘Hyperlinks en metatags; meeliften in cyberspace’, Computerrecht 1999, p. 169-170.

[5] Zie de stukken waarnaar in de noten 2 en 4 wordt verwezen.

[6] HR 23 oktober 1987, Informatierecht/AMI 1988, p. 30, m.nt Schuijt (NOS/KNVB); zie ook HR 23 mei 2003, IER 2003, p. 256, m.nt. Grosheide (KNVB/Feyenoord).

[7] Zie K.J. Koelman, Auteursrecht en technische voorzieningen, SDU: Den Haag 2003, p. 88-89.