Computer/Law Institute

Vrije Universiteit, Amsterdam

english

mr dr A.R. Lodder
prof.mr A. Oskamp

ICT-toepassingen in het strafrecht

A.R. Lodder and A. Oskamp, In B.J. Koops (red.), Strafrecht en ICT, ICT en Recht, chapter 7, pages 215-237. SDU, 2004.
Informatietechnologie in het strafrecht

Arno R. Lodder

Anja Oskamp

1.      Inleiding

In 2000 verscheen Informatietechnologische ondersteuning binnen het strafprocesrecht[1] als deel 36 in de ITeR-reeks. Het was een verslaglegging van onderzoek dat in de periode mei-oktober 1999 plaatsvond. Nu bijna vijf jaar geleden dus. Sinds die tijd is er veel veranderd. Zo is de site Rechtspraak.nl eind 1999 van start gegaan. Deze inmiddels zeer succesvolle site heeft grote invloed op de praktijk en wetenschap. Meer in het algemeen is de impact die het internet heeft op bijvoorbeeld het kunnen raadplegen van rechtsbronnen bijzonder groot. Op dergelijke algemene verworvenheden van de informatietechnologie zal in dit hoofdstuk echter niet worden ingegaan.

We beperken ons tot enkele voor het strafrecht belangwekkende technische mogelijkheden en systemen. Er zijn veel praktische systemen in het verleden ontwikkeld voor toepassing binnen het strafprocesrecht en ook het juridische onderzoek heeft zich wat betreft de inzet van informatietechnologie binnen het strafrecht begrijpelijkerwijs op de rechterlijke macht gericht. De rechterlijke macht is de spil waar het strafrecht om draait. In deze bijdrage concentreren we ons dan ook op de toepassing van informatietechnologie binnen de rechterlijke macht, waarbij overigens ook meer algemene zaken waar relevant behandeld worden.

Dit hoofdstuk is verder als volgt opgebouwd. Eerst wordt aandacht besteed aan de systemen die ten grondslag liggen aan alle andere toepassingen, de administratieve systemen voor het beheren van strafzaken. Ingegaan wordt op, wat wel een klassieker genoemd kan worden, COMPAS, de opvolger GPS die maar niet van de grond wil komen en het volstrekt mislukte HBS. Vervolgens zal bij Courtroom technology worden stilgestaan, met name horen op afstand en het digitaal dossier. Afgesloten wordt met de inhoudelijk meest geavanceerde toepassingen, namelijk die de gebruiker informatie of advies over de strafmaat geven.

2.      Het beheren van zaken

2.1  Van COMPAS tot …

Voor het geautomatiseerd verwerken van zaken, werkt het Openbaar Ministerie (OM) sinds eind jaren tachtig met COMPAS:            Communicatiesysteem Openbaar Ministerie – Parket Administratie Systeem. Hoewel vaak over COMPAS gesproken wordt als zou dit een enkel systeem zijn, zijn het in feite 19 systemen. In ieder arrondissement is een COMPAS-systeem met een decentrale database waarin de binnen het arrondissement lopende zaken zijn opgenomen.

COMPAS[2] kent in hoofdzaak vier functionaliteiten. In de eerste plaats het registreren van de gegevens van de verdachte (vervolging). Zodra een persoon vervolgd wordt, zal zijn zaak in COMPAS worden opgenomen.

In de tweede plaats bewaakt het systeem termijnen en verleent het ondersteuning bij het dagvaarden en overige zittingsvoorbereiding (vervolging/berechting).

In de derde plaats biedt COMPAS administratieve ondersteuning bij de executie van straffen (tenuitvoerlegging).

Een vierde functionaliteit betreft het gedurende het gehele proces (van vervolging tot tenuitvoerlegging) aanleveren en afnemen van gegevens van andere systemen.

Dat het voor het OM van belang is haar informatiehuishouding op orde te hebben, bleek ondermeer uit een aantal uitspraken uit midden jaren negentig.[3] Hierin werden dagvaardingen nietig verklaard wegens het niet, althans niet op juiste wijze, gebruiken van COMPAS.[4]

Zo overwoog de Hoge Raad op 7 februari 1995:[5]

“5.5 Naar de Hoge Raad ambtshalve bekend is wordt in Nederland sinds enige tijd gebruik gemaakt van geautomatiseerde informatiesystemen waardoor het ten tijde van het uitbrengen van de onderhavige dagvaarding in hoger beroep mogelijk was na te gaan of een persoon in het kader van de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf of principale dan wel vervangende hechtenis verblijft in een penitentiaire inrichting en zo ja in welke penitentiaire inrichting.

(…)

5.6. Indien een verdachte, van wie geen bekende woon- of verblijfplaats in de vrije samenleving bekend is, wordt gedagvaard, is het derhalve mogelijk door middel van raadpleging van de hiervoor onder 5.5 bedoelde informatiesystemen te achterhalen of deze verdachte als afgestrafte in Nederland is gedetineerd en zo ja in welke penitentiaire inrichting. Er dient dan ook vanuit te worden gegaan dat redelijkerwijze bekend moet kunnen zijn in welke Nederlandse penitentiaire inrichting een verdachte, die als afgestrafte is gedetineerd, verblijft zodat deze penitentiaire inrichting moet gelden als bekende verblijfplaats in de zin van art. 588, vijfde lid, Sv (oud).

Het Hof had er derhalve blijk van behoren te geven te hebben onderzocht of en zo ja waar M. ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep als afgestrafte was gedetineerd omdat in dat geval de penitentiaire inrichting, waarin M. verbleef als bekende verblijfplaats van M. moest worden aangemerkt. Nu het Hof zulks heeft nagelaten is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, ontoereikend gemotiveerd.”

Een week later ging Advocaat-Generaal Fokkens in een aanvullende conclusie bij een vergelijkbaar arrest in op automatisering bij het OM.[6] Dit leverde een tamelijk ontluisterend beeld op:

“De informatie uit de inrichtingen (dus: wanneer iemand wordt ingesloten, waar hij wordt ingesloten, of hij is overgeplaatst, wanneer hij in vrijheid wordt gesteld) kunnen in dit systeem uitsluitend worden ingevoerd, indien en voor zover de inrichtingen die gegevens aan de parketten aanleveren. Dat aanleveren gebeurt per post. De betreffende gegevens worden evenwel (lang) niet altijd aan de parketten doorgegeven. De parketten moeten deze (inrichtings)gegevens zelf in het systeem invoeren. Ook dat gebeurt niet steeds.
(…)

Het systeem is echter ernstig vervuild; veel gegevens zijn nooit bij de parketten ontvangen, of vervolgens niet ingeboekt.

(…)

Om enigszins aan de wensen van de parketten tegemoet te komen is als tussenoplossing een up-to-date weergave van een deel van de gegevens uit TULP (het systeem voor de inrichtingen) voor de parketten beschikbaar gemaakt. Dat is VIPS.

(…)

Dit voor de parketten gebrekkige systeem moet - in afwachting van een nieuw systeem waarin (als bij MITRA) de parketten en inrichtingen weer beide zijn gekoppeld (een samenvoeging van COMPAS - het systeem van de gerechten - en TULP) - nog ongeveer een jaar blijven draaien; met behulp van enige noodvoorzieningen wordt het systeem voor die tijd zo bruikbaar mogelijk gemaakt.”

Dit was de stand van zaken midden jaren negentig. In de loop der tijd verbeterde de uitwisseling van gegevens tussen COMPAS en andere systemen. Zo vindt bijvoorbeeld het uitwisselen van rijbewijsgegevens met de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RWV) plaats. Wanneer iemands rijbevoegdheid ontzegd is, dan wordt dit door het OM doorgegeven aan de RWV. Een ontzegging van de rijbevoegdheid wordt verlengd met de periode dat een dader gedetineerd zit. Bij de RWV moet dus bekend zijn of en hoe lang personen aan wie de rijbevoegdheid ontzegd is vastzitten. Verder moet in COMPAS opgenomen worden wanneer iemand zijn rijbewijs heeft ingeleverd. De periode waarvoor de rijbevoegdheid ontzegd is, wordt namelijk verlengd met de periode dat iemand zijn rijbewijs niet inlevert.

2.2  Geïntegreerd Proces Systeem?

Hoewel eerst in 1988 operationeel, werd al daarvoor nagedacht over het ontwikkelen van het systeem COMPAS.[7] In ieder geval werden in 1999 de eerste stappen gezet op weg naar de opvolger van COMPAS, middels het project ‘Voorstudie nieuwbouw COMPAS’. Begin januari 2000 werd aan de arrondissementen commitment gevraagd ten aanzien van de voorstellen tot de invoering van de vernieuwde COMPAS.[8]

De nieuwbouw COMPAS bestaat uit drie deelprojecten. Het eerste deelproject gaat over de informatie en gegevensarchitectuur en de daarbij behorende functionaliteiten. In kaart is gebracht welke activiteiten worden verricht en welke gegevens daarbij nodig zijn.

Het tweede deelproject concentreert zich op de architectuur van zowel het systeem als de daarbij behorende applicaties.

Het derde deelproject heeft als onderwerp hoe de ontwikkeling van het systeem moet worden aangepakt. In tegenstelling tot het oude COMPAS dat zaaksgebaseerd is, ligt het in de bedoeling het nieuwe COMPAS meer persoonsgeorienteerd te maken. Verschil tussen beide benaderingen is dat het bij een zaaksgebaseerd systeem zo kan zijn dat in twee arrondissementen dossiers van dezelfde personen worden beheerd, zonder dat men dit van elkaar weet. Zie bijvoorbeeld de hierboven weergegeven rechtspraak. In een persoonsgeorienteerd systeem kan zich dit niet voor doen. Centraal staat dan de persoon en het zal dus steeds duidelijk zijn wanneer er meerdere zaken tegen dezelfde persoon lopen.

Een van de uitgangspunten van de opvolger van COMPAS is een ketenbenadering. In plaats van gegevens op ieder plek in de keten in te voeren (politie, OM, rechter, gevangeniswezen), is de bedoeling deze gegevens in elektronische vorm door de keten te laten gaan. Hiervoor is noodzakelijk dat de verschillende gebruikte systemen met elkaar kunnen communiceren en de uit te wisselen informatie geautomatiseerd verwerkt kan worden.

Een bijna onoverkomelijk struikelblok blijkt de aanlevering van de gegevens door de politie aan het OM. Niet alleen omdat de politie zelf een beeld laat zien van weinig uniforme toepassing van Informatietechnologie, maar ook omdat voor de politie de voordelen van het elektronisch aanleveren van gegevens aan het OM niet direct duidelijk zijn. Genoemd wordt wel dat door elektronische aanlevering eenvoudiger en beter terugkoppeling over de voortgang van bij het OM aangebrachte zaken kan worden verkregen.

Voor het OM zijn de voordelen evident. Processen-verbaal hoeven bijvoorbeeld niet te worden gescand of overgetypt, maar de gegevens van een verdachte kunnen automatisch in de systemen van het OM opgenomen.

Met betrekking tot de aanlevering door politie zijn verschillende scenario’s denkbaar. Een mogelijkheid is een invoermodule bij de politie te plaatsen. Voordeel is dat alle informatie op die manier elektronisch wordt aangeleverd op een wijze die overeenkomt met de manier waarop de informatie door het OM wordt verwerkt. Een nadeel voor de politie is dat dit snel tot dubbel werk zal leiden.

Een andere, en betere, mogelijkheid is om de systemen van politie en het OM op elkaar te laten aansluiten zodat elektronische uitwisseling van gegevens mogelijk wordt.

Noodzakelijk is dan, zoals eerder opgemerkt, dat de systemen de gegevens op een zelfde wijze opslaan. Eind jaren negentig vond overleg plaats tussen de Regiecommissie Standaardisatie Politiële gegevens en het OM. Ook uit die tijd is het OM rapport Perspectief op 2002:

“De komende vier jaren staan in het teken van de totstandkoming van de vernieuwing in de informatie- en communicatietechniek (…) Ultimo 2000 zal een functioneel ontwerp klaar moeten zijn, het accent van de daadwerkelijke uitvoering zal na 2002 liggen”.

Dat de uitvoering na 2002 zal liggen, is uitgekomen. Nog steeds wordt gebruik gemaakt van COMPAS. Hoe staat het er nu voor? Uit het jaarverslag van het OM van 2002 kan het volgende worden opgemaakt:

“In het GPS-project wordt een het nieuwe bedrijfsprocessensysteem gefaseerd per zogenoemd 'increment' ontwikkeld en ingevoerd. In 2002 is in dit GPS-project het eerste increment (artikel 8 Wegenverkeerswet) ontwikkeld en zijn de acceptatie-testen hiervoor uitgevoerd. Dit increment zal begin 2003 in pilot worden genomen. Tevens is in 2002 het tweede increment van het GPS (de executiemodule) ontworpen. Ook is de informatie-analyse van het eerste deel van het derde increment (intake/beoordeling/zittingsvoorbereiding) uitgevoerd in 2002.”

Wat bedoeld wordt, is dat het GPS stap-voor-stap wordt ingevoerd. In ieder geval zou de voor GPS benodigde hardware inmiddels in alle arrondissementen aanwezig moeten zijn. Dat er nog niet sprake is van volledige invoering, blijkt bijvoorbeeld uit Kamerstukken van begin 2004 waarin nog steeds gesproken wordt over COMPAS.[9]

Hoewel er duidelijk gewerkt wordt aan het GPS, gaat het het allemaal niet bijzonder snel. Tijdens een door het Ministerie van Justitie georganiseerde bijeenkomst over Elektronisch procederen in het voorjaar van 2003 werd bijvoorbeeld een presentatie gegeven over de nieuwbouw van COMPAS, wat net zo goed een presentatie uit 1999 had kunnen zijn. Op hoofdlijnen was de stand van zaken namelijk ongewijzigd ten opzichte van 1999. Nog steeds bleek voor de realisering van elektronische aanlevering door de politie aan het OM de daarvoor benodigde communicatie tussen politie en OM een belangrijk struikelblok. Het accent in de discussie over communicatieprotocollen en standaardformaten was inmiddels wel verschoven. Het OM had namelijk geld van de politie gekregen om een en ander van de grond te krijgen. Mogelijk dat deze constructie het noodzakelijke steuntje in de rug zal blijken te zijn.

2.3  Hoger Beroep Systeem

Hoewel COMPAS niet meer van deze tijd is, is aarzeling over de invoering van GPS mogelijk ingegeven door het volstrekt mislukken van een vergelijkbaar systeem bij de hoven: Hoger Beroep Systeem (HBS).

Uit de ervaringen bij het HBS blijkt hoe moeilijk het is om systemen te maken die door het justitiële apparaat worden geaccepteerd. Sinds 1999 werd gewerkt aan het HBS. Het was een herstart van een project dat eerder was stopgezet, omdat het te gecompliceerd bleek. Oorspronkelijke doelstelling van dit systeem was het administratief ondersteunen van het strafproces bij de gerechtshoven. Dit systeem zou gebruik moeten maken van de nieuwste technologieën en daarmee model moeten staan voor de nieuwe generatie administratieve informatiesystemen voor de Rechterlijke Organisatie.

Het systeem zou beschikken over een geavanceerd case management systeem en workflowmanagementsysteem en zou in staat moeten zijn zelf standaarddocumenten, zoals dagvaardingen en vonnissen te genereren. Daarbij zou het in staat moeten zijn het berichtenverkeer naar de ketenpartners automatisch af te handelen. Na de herstart werden de ambities iets bijgesteld. Eerst moest een basissysteem voor workflowmanagement worden gerealiseerd. Daarna zouden functies als het genereren van documenten kunnen worden toegevoegd. Door tal van oorzaken kwam het project echter niet goed van de grond. Zo waren de processen bij de hoven veel ingewikkelder dan door de makers van de software gedacht, met name door veelvuldige wetswijzigingen en uitzonderingen op uitzonderingen. Een voorbeeld is een schikking bij te hard rijden (Sanders 2001):

Als je het laat voorkomen en dan toch ter plekke betaalt, schrapt de rechter de zaak. Formeel kan dit niet volgens de wet, maar in de praktijk wel.”

Hier wringt zich de rigiditeit van de computer. Deze doet precies wat hem opgedragen wordt. Creatieve toepassing is niet mogelijk. De vraag is echter wie hier fout zit. De programmeur kan niet kwalijk genomen worden dat hij zich aan de wet houdt. Eigenlijk zou op dit punt dus de wet moeten worden aangepast. Of, dat kan natuurlijk ook, de computer in strijd met het recht geïnstrueerd.

Door deze en tal van andere problemen werd het project najaar 2001 stilgelegd. Kosten van het project: 28 miljoen. Hoewel in die tijd nog met guldens gerekend werd, geen onaanzienlijk bedrag.

3.      Courtroom technology

Ook heden ten dage worden veelal nog tijdens een zitting schriftelijk aantekeningen gemaakt die later, eventueel bewerkt, in de computer worden ingevoerd. Effectiever is het uiteraard om al tijdens de zitting de aantekeningen elektronisch te verwerken. Het is om die reden dat bijvoorbeeld gerechtssecretarissen steeds vaker van een laptop of andere personal computer in de rechtszaal gebruik zullen maken. Dit is een eenvoudig voorbeeld van Courtroom Technology. Het binnen de rechtszaal zelf gebruik maken van de mogelijkheden die (informatie)technologie biedt.

Zeer geavanceerd op dit punt is de al sinds begin jaren negentig in Williamsburg onder leiding van Federic Lederer ingerichte Courtroom 21.[10] De term verwijst naar de 21ste eeuw, op het moment van het opzetten van deze rechtszaal de toekomst. Hoewel we inmiddels al enkele jaren in de 21ste eeuw leven, zijn veel van de gebruikte toepassingen dermate geavanceerd dat ze niet in een doorsnee rechtszaal zijn terug te vinden. In deze rechtszaal van de toekomst is het bijvoorbeeld mogelijk op afstand te horen, computeranimaties van bijvoorbeeld de omstandigheden waaronder het delict plaats vond te presenteren[11] en ook meer alledaagse toepassingen zoals het gebruik van powerpoint. Deze laatste mogelijkheid wordt vreemd genoeg, voor zover wij weten, in nog geen Nederlandse rechtszaal geboden.

Hieronder bespreken we enkele toepassingen van Courtroom technology die, op enkele plaatsen, wel in Nederland gebruikt wordt:

·        Telehoren;

·        Elektronisch dossier, en;

·        Elektronische indienen van stukken.

3.1  Telehoren en videoverhoor

Wanneer Informatie en communicatie technologie gebruikt wordt voor het verhoren van verdachten wordt wel gesproken van videohoren of telehoren. In Recht en Informatietechnologie merkte Buruma op:[12]

“Online verhoor op afstand lijkt gegeven enige lagere rechtspraak nog niet te worden geaccepteerd. Hof Amsterdam[13] achtte een telefonisch horen van de verdachte op een vordering tot inbewaringstelling (evenals Hof Den Haag[14] bij een vordering gevangenhouding) geen wettelijk verhoor. Het is denkbaar dat andersoortige verhoren – getuigen­verhoren – die bovendien niet alleen auditief maar ook visueel informatie verstrekken, wel zou worden geaccepteerd binnen bepaalde gecontroleerde omstandigheden (in ver­band met beïnvloeding door buiten het oog van de camera aanwezige derden), maar ik zou hier geen al te grote illusies over willen wekken.”

Deze laatste stelling lijkt echter door de feiten te worden achterhaald. In Australië bijvoorbeeld, is overleg middels videoconferencing wijd verbreid. Niet verwonderlijk gezien de enorme afstanden tussen verschillende steden. In de rechtszaal wordt videotechnologie daar gebruikt om verdachten in voorarrest te verhoren, bewijs van buiten Australië te verkrijgen, getuigen te verhoren, overleg te plegen voor de rechtszitting en zelfs, maar dat is een uitzondering, om vonnis te wijzen.[15] Ook in internationaal perspectief is telehoren mogelijk, bijvoorbeeld bij internationale tribunalen. Zo regelen de artikelen 50 en 51 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof het verhoor van getuigen door middel van videoconferencing.

Zelfs voor het Nederlandse procesrecht lijkt de bewering van Buruma achterhaald. Onlangs is een concept wetsvoorstel voorgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Dit concept wetsvoorstel voorziet in een wettelijke regeling om het horen per videoconferentie op verschillende momenten in het strafproces of de aanloop daartoe mogelijk te maken. Het gaat hierbij zowel om het horen van verdachten als van getuigen en deskundigen. Het concept voorziet in toevoeging van artikel 78a Wetboek van Strafrecht en artikel 131a in het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 131a Sv

1. Waar in dit wetboek de bevoegdheid wordt gegeven tot het horen, verhoren of ondervragen van verdachten, getuigen, deskundigen of andere personen, wordt daaronder mede begrepen horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld– en geluidsverbinding totstandkomt tussen de betrokken personen.

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:

de technische eisen waaraan de videoconferentie dient te voldoen, onder meer met het oog op de onschendbaarheid van de vastgelegde waarnemingen;

de controle op de naleving van de eisen, bedoeld onder a.

Artikel 78a Sr is vrijwel identiek, met als enige verschil dat “het horen, verhoren of ondervragen van verdachten, getuigen, deskundigen of andere personen,” in artikel 78a luidt:

“het horen van verdachten, veroordeelden, of andere personen,”

In deze artikelen wordt dus bepaald dat onder de bevoegdheid tot het (ver)horen en ondervragen van personen wordt begrepen het (ver)horen en ondervragen per videoconferentie, waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tussen de betrokkenen tot stand komt. Tevens wordt in beide voorgestelde bepalingen voorzien in een regeling bij algemene maatregel van bestuur van de technische eisen waaraan de videoconferentie dient te voldoen, en van de controle op de naleving daarvan.[16]

In het wetsvoorstel is gekozen voor een algemene regeling die videoconferentie mogelijk maakt, maar niet verplicht stelt. De betrokken partijen moeten dus instemmen met het gebruik van deze technologie. Het lijkt dat in de nabije toekomst een verplichting, zeker wanneer het in bewaring gezeten verdachten betreft die anders onder bewaking van en naar een rechtszaal moeten worden vervoerd, niet uitblijft.

Tegelijkertijd is het wetsvoorstel ruim opgezet: in beginsel kan elke situatie waarin iemand in het strafproces wordt gehoord, of de voorbereiding daarvan middels videoconferentie plaatsvinden.

Aan dit wetsvoorstel ging het een en ander vooraf. In het verleden hebben verschillende experimenten plaatsgevonden met betrekking tot het horen van verdachten door middel van videoconferentie. Het meest recente experiment vond plaats in Den Bosch en ging vrijwel direct vooraf aan de indiening van het wetsvoorstel. In 2002 heeft de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 8 maanden geëxperimenteerd met telehoren alsmede met telepleiten. Het betrof hier het horen van vreemdelingen in bewaarzittingen. Het horen vond plaats middels een audiovisuele verbinding met de Penitentiaire Inrichting in Tilburg.

Gedurende de eerste 4 maanden waren advocaat en vertegenwoordiger van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch aanwezig. Dan wordt er gesproken van telehoren.

De laatste 4 maanden was sprake van telepleiten: advocaat en vertegenwoordiger van de IND waren bij de vreemdeling in de Penitenitaire Inrichting in Tilburg. Uit de evaluatie bleek dat rechters het lastig vonden dat ze de gezichtsuitdrukking niet konden zien en dat het soms lastig was de regie in handen te houden. Alle partijen bleken bij de evaluatie een lichte voorkeur te hebben voor telepleiten. Als reden werden onder meer gegeven dat de advocaat zo haar cliënt beter kon bijstaan. Voor de rechter gold vooral dat zij zich dan slechts op het videoscherm hoefde te richten en niet steeds hoefde te switchen tussen het scherm en de fysiek aanwezige advocaat en medewerker IND. Verder bleek dat goede techniek een absolute voorwaarde is. Mankementen aan de techniek bleken echter nog wel eens voor te komen.

In 2003 vond een proef plaats in de regio Ijsselland. Hierbij werd voor het eerst op afstand aan de Officier van Justitie voorgeleid: televoorgeleiding. Na zes maanden werd geconcludeerd dat door televoorgeleiding tijdswinst geboekt kon worden en doordat meer tijd en rust genomen kon worden de kwaliteit van het horen toenam. Geen van de verdachten of advocaten heeft bezwaar gemaakt tegen deze vorm van voorgeleiding.

Het advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak met betrekking tot dit wetsvoorstel was mede gebaseerd op de ervaringen die bij deze eerdere pilots was opgedaan en waarvan belangrijke conclusies waren dat ten opzichte van een directe communicatie videoconferentie een geringere communicatie heeft, omdat vooral de non-verbale communicatie tussen de verschillende partijen moeilijker is.[17] Een andere conclusie die voor het advies van belang werd bevonden, was dat de technische kwaliteit van de verbindingen nogal eens aanleiding vormde tot klachten. Op basis daarvan luidt de conclusie:

“De wetenschappelijke commissie adviseert de minister van Justitie om het wetsvoorstel in zoverre te wijzigen dat de toepassing van videoconferentie bij de voorgeleidingen in het kader van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering wordt uitgezonderd. Tevens adviseert de commissie om de relatie met wetsvoorstel 28351 te verduidelijken en om duidelijk te maken dat degene die het verhoor leidt, beslist over de toepassing van videoconferentie.”[18]

Hoewel de verbindingen momenteel nu en dan weg vallen, kan verwacht worden dat in de niet zo verre toekomst een serviceniveau van (vrijwel) 100% wordt gehaald. Het is de vraag in hoeverre een aanpassing zoals hier voorgesteld met het oog op de toekomst nog wel doorgevoerd zou moeten worden.

3.2  Digitaal dossier

In 2000 merkten Lodder, Oskamp en Duker over het digitaal dossier op:[19]

“Dat er naast papieren dossiers tevens elektronische varianten zullen gaan bestaan, is zeer waarschijnlijk. Opvallend is wel dat al in 1991, en wellicht ook al daarvoor, werd gesproken van wat toen het papierloos parket werd genoemd[20] en dat op dit moment de realisering ervan nog steeds ver weg lijkt.”

Klaarblijkelijk minder ver dan toen gedacht, want inmiddels heeft begin 2003 bij de Rechtbank Amsterdam een pilot-project gelopen waarbij een digitaal dossier werd gebruikt. Gedurende drie maanden werden zittingen door de enkelvoudige kamer louter op basis van elektronische bestanden gedaan, dus zonder papieren dossier. De rechter en de officier van justitie konden in de rechtszaal hun dossier inzien via op de tafel ingebouwde beeldschermen. Voor de advocaat was ook een scherm beschikbaar. Dit komt mogelijk geavanceerd over, in bijvoorbeeld Singapore is dit staande praktijk en kunnen advocaten tijdens de zitting ook het Internet op en bijvoorbeeld stukken uitwisselen met hun kantoor.[21]

Bij de voorbereiding konden rechter en officier in het elektronische bestand markeren welke delen van het dossier voor de zitting interessant waren. Tijdens de zitting konden zo deze delen snel en gemakkelijk zichtbaar worden gemaakt. Bijkomend voordeel was dat in geval de gemarkeerde delen zeer zorgvuldig uitgekozen waren en er ter zitting geen onverwachte zaken naar voren kwamen, een vonnis aan de hand daarvan direct kon worden uitgeprint en meegegeven na afloop van de zitting. Dit terwijl in beginsel in zaken voor de enkelvoudige kamer alleen een vonnis wordt gemaakt wanneer hoger beroep wordt aangetekend. Hoewel zowel de rechter als de officier toegang hebben tot de digitale versie van het dossier en daarin bepaalde bewerkingen kunnen doen, zoals het markeren van stukken tekst, hebben zij alleen toegang tot hun eigen bewerkingen. Het is dus niet mogelijk te zien welke bewerkingen een andere partij heeft aangebracht. De toegang is wat dat betreft totaal gescheiden.

In Rotterdam liep tegelijkertijd een pilotproject voor het gebruik van digitale dossiers in megazaken. De pilots zijn wat betreft de omvang van de dossiers geheel verschillend. De papierberg in ingewikkelde en grote zaken is niet te vergelijken met die in zaken voor de enkelvoudige kamer. De pilot in Rotterdam bleek meer succesvol dan die in Amsterdam. Reden daarvoor is dat de tijdwinst bij het gebruik van een digitaal dossier bij zaken voor de enkelvoudige kamer aanzienlijk minder is dan bij grotere zaken. Dat is te begrijpen: een dossier van enkele bladzijden kan heel snel doorgebladerd worden en het geoefend oog ziet snel de delen die van belang zijn. Bij (heel) grote dossiers ligt dat anders. Het grote voordeel van digitale beschikbaarheid van het materiaal is dan juist de mogelijkheid specifieke passages op een handige manier te ordenen, snel de bronpassages terug te vinden en zonodig de teksten te verwerken in een vonnis. De proef in Rotterdam wordt op het tijdstip van dit schrijven[22] gecontinueerd. In Amsterdam start voorjaar 2004 een nieuwe pilot, met zaken voor de meervoudige kamer.

Het voordeel van het gebruik van een digitaal dossier zit hem, zoals gezegd, in het feit dat door de digitale beschikbaarheid van teksten snel daarin gezocht kan worden. De informatie in die dossiers is op die manier snel terug te vinden en kan daarnaast gemakkelijk worden beheerd. Cruciaal is dan natuurlijk dat het gehele dossier digitaal beschikbaar is. En dat is op dit moment nog niet vanzelfsprekend. Integendeel: een van de redenen waarom is besloten om voorlopig niet met het gebruik van digitale dossiers in de enkelvoudige kamer door te gaan is het feit dat veel van de informatie die in de dossiers zit juist niet digitaal beschikbaar is. Voor de pilot in 2003 is alle informatie gescand. Dat is natuurlijk erg veel werk. In de toekomst, wanneer ook de basisinformatie uit bijvoorbeeld COMPAS of de opvolger GPS digitaal aangeleverd wordt, is het veel meer kosteneffectief om ook in de enkelvoudige kamer met het digitaal dossier te werken.

Een groot voordeel van het digitale dossier is de mogelijkheid om multimedia-informatie op te nemen. Geluidsfragmenten, beeldmateriaal, geschreven tekst, alles kan in een file worden opgeslagen en gemakkelijk worden teruggevonden. Ook is het mogelijk dat verschillende personen tegelijkertijd met het dossier werken. Natuurlijk moeten er wel maatregelen genomen worden tegen bijvoorbeeld ongeautoriseerde wijzigingen in de informatie en moet de authenticiteit van het materiaal verzekerd zijn.

Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om op intelligente manier de informatie in het digitale dossier te beheren en daarmee de mogelijkheden en gebruiksvriendelijkheid verder te vergroten. Een onderwerp van onderzoek daarbij is het gebruik van zogenoemde intelligente agenten, ook wel elektronisch agenten genoemd.[23] Deze kunnen onder meer worden gebruikt om het digitale dossier in te delen volgens de persoonlijke voorkeur van de rechter of de officier van justitie. Een ander mogelijke toepassing van deze agenten is het laten verzamelen van informatie die in andere registers te vinden is en nodig is voor een specifiek digitaal dossier, bijvoorbeeld eerdere veroordelingen.[24] Zo’n agent kan termijnen verifiëren, informatie ophalen bij bijvoorbeeld het Justitieel Documentatiecentrum, naam, adres, woonplaatsgegevens verifiëren, en tenslotte teksten voorstellen voor het vonnis, op basis van bijvoorbeeld de bewijsmiddelen. Aan het gebruik van agenten vanuit zowel de techniek als het recht bezien wat haken en ogen. Zo moeten agenten toegang krijgen tot de verschillende registers en kunnen er specifieke veiligheidseisen worden gesteld. Hiernaar wordt onderzoek gedaan in het ALIAS-project[25], en in het ANITA-project.[26]

3.3  Electronic filing

Bij het digitale dossier zoals dat thans in Nederland wordt onderzocht, gaat het vooral om het digitale beheer van reeds aanwezige stukken in digitale vorm. Vaak betekent dit dat de papieren moeten worden gescand. Een volgende stap is dat stukken digitaal worden aangeleverd. Dat zal bijvoorbeeld gebeuren wanneer de doorgave van stukken van politie naar justitie digitaal geschiedt. Maar ook vanuit de advocatuur zou digitale aanlevering plaats kunnen vinden. In de VS wordt gewerkt aan ‘electronic filing’, maar dit ligt vooral op het vlak van de civiele procedure. De ervaringen kunnen echter gebruikt worden voor de strafrechtketen wanneer in Nederland de mogelijkheid tot digitale aanlevering van stukken zou worden geopend.

Met systemen voor ‘electronic filing’ kunnen advocaten in verschillende staten (Bijvoorbeeld Illinois en North Carolina) in de VS via het internet 24 uur per dag documenten bij de rechtbank deponeren en aan de tegenpartij te betekenen. Op dit moment kan dat alleen bij specifieke civiele zaken. In de zomer van 2004 gaat het electronic filing systeem van de US Distric Court Cetral Distric of Illinois de lucht in.[27]

De North Carolina Business court is, naar eigen zeggen, een ‘ongoing “courtroom technology pilot” project’.[28] Dit project kent vier aandachtsgebieden. Naast het electronic filing, vergelijkbaar met Illinois, zijn dit case and document management, Courtroom presentation en Trial judge resources. Case and document management lijkt vooral een office management omgeving. De Courtroom Presentation ziet op de mogelijkheid van de nieuwste technologieën in de rechtszaal, zodat partijen die van deze technologieën gebruik maken hierover ook in de rechtszaal zelf kunnen beschikken. Enkele van de gebruikte technologieën zijn vergelijkbaar met die welke worden gebruikt bij het digitale dossier in Nederland. De Trial judge resources bieden de rechter direct toegang tot verschillende rechtsbronnen voorzover deze digitaal beschikbaar zijn.

4.      Straftoemetingssystemen

Binnen het strafrechtelijk domein wordt regelmatig vastgesteld dat straftoemeting niet altijd even consistent is.[29] Informatietechnologie wordt wel gezien als hulpmiddel om de consistentie in straftoemeting te bevorderen, vooral omdat door informatietechnologie grote databestanden met uitspraken toegankelijk gemaakt kunnen worden.[30] Het lijkt erop dat men daarbij de gebruiksvriendelijkheid dan wel de effectiviteit van die databanken zoveel mogelijk wil vergroten. Met het oog daarop worden vaak extra elementen aan zo’n databank toegevoegd. Naar dat soort verrijking van databestanden wordt al jarenlang onderzoek gedaan en dit heeft geleid tot enkele prototypes van databanken, en tot enkele databanken die ook daadwerkelijk in de praktijk worden ingezet. Wanneer men deze systemen gebruikt is het resultaat daarvan informatie over het scala van straffen die in het verleden door rechtbanken voor vergelijkbare zaken zijn uitgedeeld. Deze systemen zijn vooral descriptief en ze worden wel informatiesystemen voor straftoemeting genoemd. In het Engels wordt de term Sentencing Information systems gebruikt.[31]

Daarnaast wordt onderzoek verricht naar de mogelijkheden om Informatietechnologie in te zetten om het proces van straftoemeting te ondersteunen. Daaronder verstaan we ook het inzetten van dergelijke systemen bij het Openbaar Ministerie. Het soort systemen dat hierbij wordt ontwikkeld worden aangeduid als kennisgebaseerde systemen.[32] Ze kunnen meer worden gekarakteriseerd als prescriptief, in die zin dat ze veelal een advies geven inzake de op te leggen straf. Combinaties van beide categorieën zijn natuurlijk ook mogelijk.

Hieronder zal eerst worden ingegaan op het OM-systeem BOS. Vervolgens zullen initiatieven inzake kennisgebaseerde en overige informatiesystemen worden besproken.

4.1  Het BOS[33]

Het BOS (BeslissingsOndersteunend Systeem) kan door Officieren van Justitie gebruikt worden bij het vaststellen van de strafeis in een concreet geval. Daartoe zijn in het BOS de landelijke (vervolgings- en) requireerrichtlijnen van het OM, de zogenaamde Polaris-richtlijnen[34] geïmplementeerd. De Polaris-richtlijnen hebben als doel meer eenheid in het vorderingsbeleid te realiseren. De richtlijnen hebben betrekking op veelvoorkomende criminaliteit en verkeersmisdrijven, vooralsnog uitgesloten zijn zware misdrijven. Deze keuze houdt overigens in dat ongeveer 80% van de misdrijven waar het OM mee te maken krijgt zijn opgenomen in het BOS.

Op 1 april 1999 is het BOS door het OM, na een succesvolle pilot in Amsterdam en Leeuwarden, landelijk ingevoerd. Omdat het OM het BOS gedurende het eerste jaar wilde evalueren, was de ontwikkelaar Giant-Soft niet toegestaan het BOS aan derden, met name de advocatuur, te leveren. In augustus 2000 waren besprekingen over een contract dat Giant-Soft de mogelijkheid gaf een commerciële versie van het BOS te exploiteren nagenoeg afgerond. Het lag in de bedoeling om voor het eind van het jaar 2000 licenties van het BOS aan de advocatuur te kunnen leveren. Na veel geheen-en-weer is uiteindelijk pas eind 2002 is BOS via internet voor een ieder gratis ter beschikking gesteld.[35] Daarmee kwam ook een voortijdig einde aan de sinds de zomer van 2001 bij de Amsterdamse rechtbank lopende Wob-procedure, die een jaar eerder begon met een verzoek tot verstrekking van het BOS.

4.1.1          Doel en functie van het BOS

Het OM is niet verplicht om het BOS te gebruiken, maar gezien de vaak lastige berekeningen[36] die nodig zijn om tot een strafmaat te komen, heeft het OM wel baat bij gebruik van het BOS. Bovendien is het BOS in de door het OM gebruikte versie gekoppeld aan het administratieve systeem COMPAS, waardoor zowel reeds in COMPAS aanwezige informatie gebruikt kan worden bij het bepalen van de strafmaat als ook de resultaten van de toepassing van het BOS kunnen worden weggeschreven naar COMPAS. Indien het OM afwijkt van de door het BOS voorgestelde strafmaat, dan moet deze afwijking gemotiveerd worden.

Advocaten zouden in hun verweer aan het ontbreken van deze motivering in geval er afgeweken wordt aandacht kunnen schenken, zo was ook te lezen in Opportuun van maart 1999:

“Tom Wiersma (…) introduceert een nieuw begrip in het juridisch jargon: het `Polarisverweer', en legt uit dat raadslieden alle moeite zullen doen om de Polaris-richtlijnen te kennen, zodat ze de officier die zich daar niet aan houdt er op aan kunnen spreken.”

Door advocaten is weinig gebruik gemaakt van POLARIS-verweren. Dit zal mede zijn ingegeven zijn door het feit dat handmatig toepassen van de POLARIS-richtlijnen verre van eenvoudig is. Hoewel inmiddels het BOS beschikbaar is via Internet, laat de gebruikersvriendelijkheid te wensen overkomen.

4.1.2          Hoe werkt het BOS

Het programma werkt volgens een puntensysteem. Afhankelijk van het soort delict en verschillende bijkomende omstandigheden wordt een puntentotaal berekend. Dit puntentotaal wordt omgezet in een geldbedrag (voor een transactievoorstel of een ter terechtzitting te vorderen boete), een gevangenisstraf of een taakstraf. Hoe komt het puntentotaal tot stand? Allereerst moet de gebruiker het relevante delicttype selecteren. Deze delicttypen verhouden zich niet 1-op-1 met de delictsomschrijvingen van het Wetboek van Strafrecht. Zo is diefstal (art. 310 Sr) onderverdeeld in de volgende basisdelicten, waarbij ik tussen haakjes het aantal bij het delicttype behorende basispunten vermeld:

a.       Diefstal van winkelgoederen (6)

b.      Eenvoudige diefstal (6)

c.       Diefstal fiets (10)

d.      Diefstal bromfiets (15)

e.       Diefstal lichte aanhangwagen (15)

f.        Diefstal (bestel-/personen-)auto en/of caravan, motor (35)

g.       Diefstal vrachtwagen/trekker en/of aanhanger/oplegger, autobus (49)

De delicten b-d zijn in de richlijnen eenvoudige diefstal, diefstal fiets(en) en diefstal bromfiets(en) te vinden. Er zijn echter ook richtlijnen met verschillende wettelijke delictsomschrijvingen, te weten de richtlijn winkeldiefstal waarin naast het onder a genoemde delicttype ook verduistering van winkelgoederen (art. 321 Sr) en omprijzing (art. 326 Sr) zijn opgenomen. Ook zijn er richtlijnen met meerdere op één wettelijke delictsomschrijving gebaseerde basisdelicten, te weten de richtlijn diefstal (motor-)voertuigen (delicten onder e-g).

Een kleine rekensom lijkt te leren dat diefstal van een auto met aanhangwagen (15+35), net iets meer punten oplevert dan diefstal van een vrachtauto (49). Toch is dit niet het geval. Het aantal punten wordt berekend per gepleegd strafbaar feit. Het stelen van een auto met aanhangwagen is één feit, en zal daarom even zwaar worden aangerekend als diefstal van een auto (of aanhangwagen, afhankelijk van het gekozen delicttype). Wanneer iemand terecht staat voor diefstal van een auto in juli en van een aanhangwagen in september, dan worden wel beide delicttypen meegenomen bij het berekenen van het puntentotaal. Dit gebeurt echter na elkaar. Eerst dienen dan alle bijkomende factoren van de autodiefstal te worden afgelopen en vervolgens alle bijkomende factoren van de aanhangwagendiefstal. De twee totalen van de autodiefstal en de aanhangwagendiefstal worden bij elkaar opgeteld.

Nadat de gebruiker een delicttype heeft geselecteerd, worden voor zover van toepassing, over de volgende factoren vragen gesteld:

·        Basisfactoren – factoren die bij elk delict waar ze een rol spelen even zwaar wegen. Bijvoorbeeld de waarde van de beoogde goederen. Ongeacht het delicttype wordt een aantal punten toegekend.

·        Delictspecifieke factoren – omstandigheden die per delict anders beoordeeld moeten worden, vandaar dat deze factoren niet uitgedrukt worden in punten, maar een percentuele ophoging (+ 25%) plaatsvindt. Naarmate het misdrijf ernstiger is en het aantal punten hoger, zal de ophoging dus groter zijn. Voorbeelden zijn ambtenaar als slachtoffer, willekeurig gekozen slachtoffer, feit met meerdere personen gepleegd.

·        Wettelijke factoren – de uit het eerste boek Sr bekende factoren, zoals medeplichtigheid (- 33%) en poging (-33%).

·        Recidive – leidt ook tot percentuele verhoging: eenmaal (+10%), meermalen (+20%).

·        Draagkracht

De met bovengenoemde factoren samenhangende vragen worden steeds in een pop-up window aan de gebruiker voorgelegd. De volgende casus kan als illustratie dienen. Een professionele autodief wordt gepakt voor het stelen van een auto waarvan hij weet dat in de kofferbak een koffertje met 10.000 gulden ligt. Een jaar en anderhalf jaar geleden was hij ook al veroordeeld voor autodiefstal. De diefstal heeft hij gepleegd met zijn vaste maat.

De gebruiker moet om te beginnen het relevante delictstype selecteren, in dit geval is dat diefstal auto. Daarna worden de volgende vragen achtereenvolgens aan de gebruiker gesteld.

1. Wat was de waarde van de zich in het voertuig bevindende beoogde goederen: …

2. Is er sprake van medeplegen?             Ja/Nee

3. Is er sprake van een poging? Ja/Nee

4. Is sprake van recidive? Nee/eenmaal/meermalen

5. Heeft de verdachte de schade vergoed aan slachtoffer? Nee/Ja: …

De op basis van de casus gegeven antwoorden leiden via de basispunten (35), een vermeerdering met 40 punten wegens het koffertje met geld (75), +25 % vanwege medeplegen (93) en + 20% vanwege meermalen recidive tot 112 punten. De antwoorden op vraag 3 en 5 hebben in casu geen invloed op het totaal. Het eindtotaal wordt vervolgens omgezet via het volgende schijvensysteem:

Schijf 1: < 181 punten:                         100%

Schijf 2: 181-540 punten:             50%

Schijf 3: > 540 punten:                         25%

Ons voorbeeld valt nog binnen de eerste schijf, dus 100%. Boven de 60 punten wordt geen transactievoorstel meer gedaan, dus de zaak moet voorkomen. Een punt correspondeert met ófwel een dag gevangenisstraf, ófwel 2 uur dienstverlening ófwel 50 gulden boete. In ons geval ligt het aantal punten boven de geldstraf-grens en beneden de taakstrafgrens. Mits er geen contra-indicatie tegen een taakstraf is, zal in casu 224 uur dienstverlening worden geëist. Een contra-indicatie tegen een taakstraf is bijvoorbeeld de omstandigheid dat de verdachte in het verleden al meer dan eens een taakstraf opgelegd heeft gekregen.

4.1.3          Evaluatie het BOS

Het BOS is een prachtig voorbeeld van een IT-toepassing die eenvoudig maakt wat in de papieren wereld lastig is. Er bestaan natuurlijk al lang richtlijnen voor het eisen bij verschillende delicten, meest bekend is dronken rijden, maar door het consequent toepassen van richtlijnen bij een zo groot aantal commune en verkeersdelicten, is het goed mogelijk consistentie in het eisen in strafzaken te realiseren. Merk op dat het hier gaat om richtlijnen. Zowel het OM als uiteraard ook de rechter kan de straf verhogen of verlagen als de bijzondere omstandigheden van het geval dan wel de persoon van de dader daartoe aanleiding geven. De richtlijnen zijn gebaseerd op wat doorgaans in strafzaken geëist wordt, waarbij getracht is een landelijk gemiddelde te realiseren. Immers, het streven is rechtsgelijkheid te bewerkstelligen.

Nog kan worden opgemerkt dat het BOS geëvalueerd wordt en in geval toekenning van een bepaald aantal punten of een bepaald percentage tot vreemde uitkomsten leidt, de richtlijnen worden aangepast. Zo werd aanvankelijk bij recidive niet 10% (eenmaal) en 20% (meermalen) toegevoegd, maar 50% en 100%. Toen bleek dat dit tot veel te hoge eisen leidde, is het in de zomer van 2000 in eerder genoemde zin aangepast.

BOS is niet idiot-proof.[37] Het zal duidelijk zijn dat een officier van justitie niet 56, 84 of 112 dagen gevangenisstraf zal eisen, maar dit zal afronden naar een eis van een aantal weken of maanden, afhankelijk van de omvang. Verder kunnen de door het systeem gestelde vragen irritatie wekken, omdat een standaardlijstje wordt afgelopen onafhankelijk van het basisdelict. Zo kan bij mishandeling, het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel, ingegeven worden dat er geen sprake is van letsel. Nog merkwaardiger is de tweede vraag na het delict type ‘doden dier’: Is het slachtoffer een ambtenaar. Er zijn natuurlijk honden die door de politie gebruikt worden, maar het is niet bijzonder aannemelijk dat deze als ambtenaar zijn aangesteld.

In een nieuwe versie zal een functionaliteit moeten zijn ingebouwd die de uren dienstverlening, geldbedragen en dagen gevangenisstraf omzet naar een gangbaar aantal. Daarnaast is het op dit moment, zeker indien meerdere delicten zijn ten laste gelegd, mogelijk dat het programma hoger uitkomt dan het wettelijk strafmaximum. Hoewel dit in de praktijk niet veel zal voorkomen, lijkt het verstandig om dergelijke fouten uit de publieke versie te halen. Voor gebruik door het OM zijn dit soort aanpassingen niet per se noodzakelijk, voor de marktversie wel.

Beter dan een pop-up window voor elke vraag, zouden de vragen onder elkaar getoond kunnen worden. Hierdoor ziet de gebruiker dan ook steeds wat hij al geantwoord heeft.

Een ander punt waarop het BOS aan waarde zou winnen, is om steeds wanneer antwoord op een vraag gegeven wordt, zowel in dagen, bedragen, als ook grafisch in aantal punten, aan te geven wat de tussenstand is. Op dit moment wordt bij de ontwikkeling van de richtlijnen gebruik gemaakt van grafische ondersteuning. Het zou mooi zijn als deze functie zou worden ingebouwd.

4.2  Kennisgebaseerde systemen

Vooral in de jaren 70 en 80 werd onderzoek gedaan naar prescriptieve (straftoemetings)systemen. Dit zijn meestal straftoemetingssystemen die een advies geven over de op te leggen straf. In het verleden zijn verschillende van dit soort systemen ontwikkeld. Meestal betrof het ‘laboratoriumsystemen’, dat wil zeggen systemen die niet bedoeld waren voor werkelijk gebruik in de praktijk, maar die vooral vanuit onderzoeksoogpunt ontwikkeld werden. Een vroeg voorbeeld van zo’n systeem is het in Rotterdam ontwikkelde SENPRO.[38] Dit programma was gebaseerd op een straftoemetingsmodel dat was ontwikkeld door de Rotterdamse hoogleraar Strafrecht Hulsman. Het model gaf de wensen en ideeën van zijn ontwikkelaar weer en was beslist geen weerspiegeling van de realiteit. Het doel van het programma was om aan te tonen dat het mogelijk was met behulp van een model een beslisprogramma te ontwikkelen, maar niet om dat programma ook in de praktijk te gebruiken.

Een ander voorbeeld van een programma dat met hetzelfde oogmerk is ontwikkeld is JUDGE een proefprogramma voor het testen van cognitieve theorieën met het oog op het terugvinden van informatie.[39] Dit programma kan worden gezien als een rudimentaire combinatie van programma’s van de twee categorieën.

Het systeem ASSYST gaat verder dan deze meer tentatieve adviessystemen.[40] Het stelde daadwerkelijk straf vast, gebaseerd op de federal sentencing guidelines in de VS. De naam ASSYST was waarschijnlijk verzonnen om niet al te zeer het voorschrijvende karakter dat zo’n systeem kan krijgen te benadrukken en vooral aan te geven dat de uiteindelijke beslissing bij de rechter ligt.[41]

Schild heeft in Israel een systeem ontwikkeld voor ondersteuning van rechters. De ondersteuning is een expliciet uitgangspunt.[42] Het gaat om een zaaksgebaseerd systeem, waarbij de uitspraken in een hiërarchische boom zijn ondergebracht. Deze boom werd ontwikkeld in nauwe samenwerking met een ervaren rechter. Schild hecht er grote waarde aan dat niet de indruk ontstaat dat het systeem de taak van de rechter overneemt. Hij stelt expliciet dat de meeste onderzoekers niet tot doel hebben systemen te ontwikkelen die de rechter vervangen.[43] Het doel moet zijn, uit principe, om de rechter te ondersteunen, waarbij de rechter de uiteindelijke beslissing blijft nemen. Aan de andere kant gaat Schild bij de ontwikkeling van zijn systeem er ook vanuit dat het systeem op dezelfde wijze moet redeneren als een menselijke rechter. Een ander belangrijk uitgangspunt voor Schild is de acceptatie door de rechter als uiteindelijke gebruiker.

4.3   Informatiesystemen voor straftoemeting.

Het zal geen verwondering wekken dat de bakermat van informatiesystemen voor straftoemeting ligt in de Anglosaksische landen met hun rechtssystemen, waarin een lange traditie bestaat in het gebruik van precedenten bij rechtspraak. In die landen is het vinden van vergelijkbare uitspraken, zowel in het strafrecht als in het civiel recht, van groot belang in het onderbouwen van ingenomen standpunten. We zien dan ook dat een van de eerste onderzoeken werd gedaan in Australië. Daar werd het Judicial Information Research System opgezet, waarin on line primaire en secondaire rechtsbronnen beschikbaar werden gesteld aangevuld met statistische informatie. Het systeem is toegankelijk voor het openbaar ministerie, de advocatuur, de rechterlijke macht en voor overheidsinstellingen, voorzover deze een juridische rol spelen[44]. Een belangrijk onderdeel van dit systeem is het New South Wales Sentencing Information System. Dit straftoemetingssysteem heeft zowel statistische functies als een verrijkte databank, waarin naar uitspraken kan worden gezocht. De statistische functies geven onder meer inzicht in het scala van straffen dat wordt opgelegd in vergelijkbare zaken en in de frequentie waarmee deze straffen worden opgelegd. Zo is zichtbaar hoe vaak zware straffen worden opgelegd voor een bepaald delict, en hoe vaak minder zware straffen. De zoekfunctie naar uitspraken is verrijkt met specifieke trefwoorden en van iedere uitspraak is een samenvatting opgenomen, waar direct naar doorgeklikt kan worden. Ook relevante wetgeving is opgenomen, wederom gerelateerd aan uitspraken. De opgenomen informatie is onderling gerelateerd door hyperlinks. Daarnaast heeft het systeem componenten als een database met straftoemetingsprincipes en praktijkvoorbeelden. Deze zijn voorzien van een commentaar op de ‘leidende principes’, waarbij ook relevante delen uit leidende uitspraken zijn opgenomen. Voor een demonstratie van dit systeem zie http://www.jc.nsw.gov.au/sisdemo/. Het systeem wordt daadwerkelijk in de praktijk gebruikt. In 2001 lag het aantal gebruikers rond de 700 hetgeen resulteerde in een raadpleging van tussen de 20.000 en 25.000 pagina’s per maand. In tal van uitspraken werd bovendien melding gemaakt van het gebruik van het systeem.[45]

Op basis van dit systeem werd in Schotland een vergelijkbaar systeem ontwikkeld voor het Schotse recht, het Sentencing Information System for the High Court of Justiciary of Scotland. Na een haalbaarheidsstudie die in de periode 1993-1995 werd uitgevoerd[46], werd vanaf 1995 een aanvang gemaakt met de gefaseerde invoering van het systeem.[47] Sinds 1996 is het systeem operationeel. Ook bij dit systeem is het doel om rechters te voorzien van het scala van uitspraken die eerder in vergelijkbare zaken zijn gedaan. Rechters kunnen zoeken op karakteristieken van het delict en de dader. Het hele palet van opgelegde straffen wordt zichtbaar gemaakt alsmede de frequentie waarmee bepaalde straffen werden opgelegd. Het systeem wordt voortdurend onderhouden en verbeterd. Het onderzoek wordt uitgevoerd door het Center of Sentencing Research van de University of Strathclyde.

In Nederland is mede op basis van deze onderzoeken een aanvang gemaakt met het ontwikkelen van een straftoemetingssysteem voor de Nederlandse strafrechter. In de noordelijke provincies werd daartoe halverwege de jaren 90 het NOSTRA-systeem geïntroduceerd. Dit systeem vertoont veel overeenkomsten met het Schotse systeem. NOSTRA gaf gebaseerd op een klein aantal karakteristieken, statistische informatie met betrekking tot elf delictcategorieën. De rechters waren zelf medeverantwoordelijk voor het onderhoud van het systeem: zij moesten de in te voeren zaken voorzien van korte samenvattingen en stuurden elkaar de nieuwe zaken toe. Het NOSTRA systeem kende echter een betrekkelijk klein aantal uitspraken, zodat de ingevoerde zaakskenmerken exact moesten overeenkomen met opgenomen uitspraken. Ook is de waarde van statistische informatie niet altijd even groot wanneer het aantal uitspraken op basis waarvan die informatie wordt gegenereerd betrekkelijk klein is. De statistische functie wordt derhalve niet meer gebruikt.

Een vergelijkbare ontwikkeling, doch zonder de toevoeging van statistische informatie werd in gang gezet door Eduard Oskamp die het systeem IVS ontwikkelde.[48] Dit systeem wordt door hem beschreven als een systeem voor het redeneren met uitspraken (case-based reasoning). Zijn stelling was dat inconsistentie in straftoemeting voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door onvoldoende kennis van eerder gedane uitspraken. Een databank met uitspraken voor 5 categorieën van delicten (art. 6 wegenverkeerswet, geweldsdelicten, levensdelicten, opiumwetdelicten en zedendelicten) werd per uitspraak voorzien van extra informatie met betrekking tot een aantal criteria die na interviews met rechters waren vastgesteld. Dit aantal criteria bleek uiteindelijk veel te hoog om het systeem daadwerkelijk in de praktijk bruikbaar te maken.

De rechterlijke macht heeft de databank van Oskamp tot uitgangspunt genomen in het project Consistente straftoemeting (project CST). Het projectteam ontwikkelde nieuwe prototypes van databanken, met uitspraken waarin een gevangenisstraf van 4 of meer jaren is uitgesproken. Het eerste prototype (1999) was al een vereenvoudiging van de IVS databank, met name voor wat betreft de beschrijving van zaakskenmerken waarmee naar vergelijkbare uitspraken kon worden gezocht. In de periode 2000-2002 werd het aantal kenmerken en het aantal criteria waarop kon worden gezocht nog verder ingeperkt. De gebruiker kan de zoekvraag samenstellen door een of meer criteria of zaakbepalende elementen aan te klikken. Na afloop van het zoeken wordt nu een lijst met alle zaken getoond die aan deze elementen voldoen. Uitspraken die betrekking hebben op meerdere delicten zijn dan onder al die delicten terug te vinden. De databank voor consistente straftoemeting is thans via Porta Iuris, het portaal dat in het intranet voor de rechterlijke organisatie het delen en ontsluiten van kennis voor de rechtspraak verzorgt, te raadplegen.[49]

Duker beschrijft en analyseert in zijn proefschrift de verschillende initiatieven tot het ontwikkelen van verrijkte databanken.[50] Hij komt tot de conclusie dat dit soort databanken meer ondersteuning bieden dan nodig is.[51] Vervolgens doet hij een voorstel voor een databank met een sterk beperkt aantal zoekcriteria. De inhoud van die databank zou dan ook niet meer hoeven te bevatten dan de volledige teksten van een gecategoriseerde verzameling uitspraken, zonder trefwoorden en samenvattingen dus. Daarnaast pleit hij, vanuit het gelijkheidsbeginsel, voor het toegankelijk maken van dergelijke databanken voor alle partijen, en de toegankelijkheid dus niet te beperken tot de rechterlijke macht.

4.4  Conclusie

Duker en Lodder hebben betoogd dat wanneer het OM informatietechnologie gebruikt om consistentie in straftoemeting te realiseren, niet direct is in te zien welke meerwaarde het heeft als ook de rechter straftoemetingssystemen gebruikt. De rechter kan dan beter op andere wijze ondersteund worden, zoals door de inzet van elektronische dossiers. Duidelijk is dat de praktijk anders is. Zowel het OM als de zittende magistratuur kunnen systemen voor straftoemeting gebruiken. Over het daadwerkelijk gebruik is overigens niet veel bekend.

Hoewel in de loop der jaren een aanzienlijke onderzoeksinspanning is verricht met betrekking tot straftoemetingssystemen, is het resultaat niet zo veelomvattend als wellicht verwacht en gehoopt werd. Operationele straftoemetingssystemen, die ook daadwerkelijk gebruikt worden bestaan vooral uit al dan niet verrijkte databanken. Wat precies daarvan gebruikt wordt is niet duidelijk. Wel is duidelijk dat de verrijking van databanken erg veel werk met zich brengt, waarbij men zich kan afvragen of de kosten tegen de baten opwegen, vooral in ons land dat geen traditie kent van redeneren met precedenten. De vraag is voorts of de keuze waaruit die verrijking moet bestaan niet vaak arbitrair is, evenals de vaststelling hoeveel extra informatie moet worden toegevoegd, welke parameters bij statistische analyses moeten worden gebruikt en hoe veel parameters dan moeten zijn.

5.      Slot

Het gebruik van Informatietechnologie binnen het strafrecht heeft inmiddels een geschiedenis van enkele decennia. Wat daarbij vooral opvalt is dat de ontwikkelingen langzaam gaan. De vernieuwing van het COMPAS systeem bijvoorbeeld duurt nu al bijna net zo lang als dat het systeem draaide op het moment dat over vernieuwing nagedacht werd.

Wat ook opvalt is dat de automatisering veelal zeer nauw aansluit bij de bestaande praktijk. De papieren dossiers waren uitgangspunt bij de ontwikkeling van COMPAS, in plaats van een meer van de mogelijkheden van de techniek profiterende persoonsgerichte ontsluiting van informatie. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat over een zelfde persoon meerdere dossiers bestaan, zonder dat dit bij de verschillende bewerkers bekend is. Een ander voorbeeld is dat in het digitaal dossier gebruikers teksten met een gele stift kunnen markeren. Dat weerspiegelt mooi de papieren praktijk, maar de vraag of dit nu de geëigende methode in een geautomatiseerde omgeving is.

Tenslotte blijken projecten nog al eens op mislukkingen uit te draaien, getuige het HBS. Ook de moeizame ontwikkelingen rond het GPS zijn wat dat betreft illustratief.

Deze kenmerken zijn niet uniek voor de strafrechtomgeving, maar komen bij veel automatiseringsprojecten voor. Ze kunnen ook met elkaar in verband worden gebracht. Bij het HBS werd bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan de inbreng van de gebruikers. Dat is goed, uiteindelijk zijn zij het die het systeem dagelijks moeten gebruiken. Het heeft echter ook nadelen. Veel gebruikers zijn niet in staat zich zodanig los te maken van hun normale werkomgeving dat ze zich een oordeel kunnen aanmeten over een optimaal gebruik van Informatietechnologie. Zo zij al op de hoogte zijn van de mogelijkheden (en beperkingen) zullen ze die onmiddellijk projecteren op hun huidige werkwijze, terwijl het zinvol kan zijn juist die werkwijze aan te passen aan nieuwe technologische mogelijkheden.[52] Om gebruikers daarvan te overtuigen zal een perspectief geboden moeten worden, waarvan direct de voordelen ten opzichte van de huidige werkwijze duidelijk worden. Het is lastig maar belangrijk een juiste balans te vinden tussen het respecteren van de wensen van de gebruikers en het verkrijgen van commitment voor later gebruik. Wens en behoefte moet worden afgestemd op technische mogelijkheden.

Een voorbeeld van een land waar de invoering van Informatietechnologie veel veranderd heeft is Singapore.[53] Een trage, logge rechterlijke macht werd in 10 jaar tijd tot een soepel lopende, IT toepassende organisatie. Belangrijke succesfactor was het betrekken van de gebruikers. Voordat overgegaan werd tot grootschalige invoering van technologie, werd voldoende tijd uitgetrokken om de leden van de juridische beroepsgroepen te laten wennen aan het werken in een elektronische omgeving.

Niet alleen gewenning is van belang, ook het aansluiten bij de behoefte van de gebruikers. Ondanks het feit dat de site rechtspraak.nl geen echt gebruiksvriendelijke zoekfunctie kent, wordt hij veel gebruikt. Enerzijds omdat de site blijkbaar in een behoefte voorziet. Anderzijds is de doorsnee gebruiker niet geïnteresseerd in geavanceerde zoektechnieken. Als de gebruiker maar zoektermen in kan voeren om interessante uitspraken te vinden of LJN-nummers om één specifieke uitspraak te kunnen raadplegen. Wat dat betreft zou het interessant zijn te onderzoeken of leden van de rechterlijke macht in de meer geavanceerde databank consistente straftoemeting zoeken, of genoegen nemen met de functionaliteit van Rechtspraak.nl.

Belangrijk is en blijft dat Informatietechnologie moet doen waarvoor het bedoeld is: het adequaat ondersteunen van gebruikers bij hun werkzaamheden, zoals de bij het strafrecht betrokkenen. We duiden ons vakgebied daarom wel aan met de term Informatietechnologie voor juristen.[54] Naar onze mening behoeft vanuit die invalshoek de IT ondersteuning binnen het strafrecht nog wel enige verbetering.

Literatuur

Bain, W (1989), 'Judge', in: C.K. Reisbeck & R.C. Schank, Inside Case-based Reasoning, New Jersey Lawrence Erblaum Associates, 1989.

Bol, S.H. & A.R. Lodder, ‘Mediation online: over de kracht van de techniek en haar beperkingen’, Tijdschrift voor Mediation 2003-4, p. 94-100.

De Mulder, R.V., A. Oskamp, W. van der Heijden & H. Gubby, Sentencing by Computer: an experiment, Oslo, NRCCL, Complex 8/82, 1982

Dijkstra, J.J. (1998), On the use of computerised decision aids – an investigation into the expert system as persuasive communicator (diss. Groningen).

Duker, M. (2003), Legitieme Straftoemeting (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom juridische uitgevers.

Duker, M.J.A. & A.R. Lodder (1999), ‘Sentencing and Information Management: consistency and the particularities of a case’, Proceedings of the Seventh International Conference on Artificial Intelligence and Law, ACM, New York, pp. 100-107.

Fiselier, J.P.S & J.A.W. Lensing, ‘Afstemming van de straftoemeting´, Trema 1995, p.105-117.

Fiselier, J.P.S (1985), ‘Regionale verscheidenheid in strafrechtspleging’, Delikt en Delinkwent 1985, p. 204-211.

Franken, H. & H.J. van den Herik (2002), ‘Rechtsprekende computers?’, in: A. Oskamp & A.R. Lodder (red.), Informatietechnologie voor Juristen (tweede druk), Deventer: Kluwer 2002, p. 251-272.

Hoogen, R.H. van den (1997), ‘Technologie verplicht’, NJB 1997, p. 1677-1678.

Jägers, H.P.M. (1985), ‘Het (geautomatiseerde) informatievoorzieningsproces in het strafrechtelijk bedrijf’, in: E.H.M. Hirsch Ballin & J.A. Kamphuis (red.), Trias Automatica, Deventer: Kluwer 1985.

Lodder, A.R., A. Oskamp & M.J.A. Duker (2000), Informatietechnologische ondersteuning binnen het Strafprocesrecht (ITeR rapport no. 36), Den Haag: SDU.

Maanen, N.F. van & E.H. Blankenburg, Het openbaar Ministerie geautomatiseerd, Den Haag: Sdu Juridische & Fiscale Uitgeverij 1991.

Madonik, B.G. (2001), I Hear What You Say, But What Are You Telling Me? The Strategic Use of Nonverbal Communication in Mediation, San Francisco Ca.: Jossey-Bass 2001.

Narayanan, A. & S. Hibbin (2001), ‘Can animations be safely used in courts’, AI & Law 2001-4, p. 225-269. Oskamp, A. (2001), Agenten Terecht! (oratie Amsterdam VU), Deventer: Kluwer 2001.

Oskamp, E.W. (1998), Computerondersteuning bij straftoemeting (diss. Leiden) Deventer: Gouda Quint.

Oskamp, A. & A.R. Lodder (red.), Informatietechnologie voor Juristen (tweede druk), Deventer: Kluwer 2002

Otte, M. (2000) “Het probleem van straffen”, Trema Straftoemetingsbulletin 2000, p. 3-8.

Potas et al 1998., "Informing the Discretion" International Journal of Law and Information Technology 99, 1998 6(2)

Reiling, A.D. (2003), ‘Rechtspraak in de digitale Delta’, NJB 2003, p. 2286-2291.

Sanders, R. (2001), ‘Justitie seponeert IT-project’, Computable 30 november 2001, nr. 48, p. 5.

Schild, U.J. (1995) 'Intelligent Computer Systems for Criminal Sentencing', The Fifth Inetrnational Conference on Artificial Intelligence and Law: Proceedings of the Conference, Maryland 1995, p. 229-238.

Simon, E. and Gaes, G. (1989) 'ASSYST - Computer Support for Guideline Sentencing', The Second International Conference on Artifical Intelligence and Law: Proceedings of the Conference, Vancouver 1989, pp195-200

Tata, C., Hutton, N., Wilson, J., Paterson, A. & Hughson, I. (2002) A Sentencing Information System for the Scottish High Courts of Justiciary: First Phase of Implementation, Enhancement and Evaluation. ISSN: 1464-987X

Tata, C., J.Wilson & N.Hutton “ Representations of Knowledge and Discretionary Decision Making”, The Journal of Law, Information, and Technology, 1996, No.2.

Thian, Y.S. (2004), ‘Singapore’, in: A. Oskamp, A.R. Lodder & M. Apistola (eds.), IT support of the judiciary in Australia, Singapore, Venezuela & three European Countries, Kluwer Law International, te verschijnen.

Thian, Y.S. & A.R. Lodder (2002), 'ICT & de rechterlijke macht van Singapore: waarin een klein land groot kan zijn', R&EM 2002-2, p. 30-33.

Vey Mestdagh, C.N.J., J.J. Dijkstra & A. Oskamp, ‘Kwaliteitsbewaking van juridische informatie- en kennistechnologie’, in: A. Oskamp & A.R. Lodder (red.), Informatietechnologie voor Juristen (tweede druk), Deventer: Kluwer 2002, p. 137-164.

Wallace, A. (2004), ‘Australia’, in: A. Oskamp, A.R. Lodder & M. Apistola (eds.), IT support of the judiciary in Australia, Singapore, Venezuela & three European Countries, Kluwer Law International, te verschijnen.


[1] Lodder, Oskamp & Duker 2000.

[2] COMPAS bestaat uit de volgende deelsystemen: I en II Registratie (I voor overtredingen, II voor misdrijven) en OM-afdoening, III Zittingsvoorbereiding, IV Executie, V Bijzondere adminstraties, VI beleids- en beheersysteem.

[3] Hoge Raad 7 februari 1995, NJ 1995, 618, Hoge Raad 14 februari 1995, NJ 1995, 536 en Hof Amsterdam 22 oktober 1996, NJ 1997, 73).

[4] Zie hierover Van den Hoogen 1997.

[5] NJ 1995, 618.

[6] Hoge Raad 14 februari 1995, NJ 1995, 536.

[7] Zie bijvoorbeeld Jägers 1985.

[8] Rapport van het Openbaar Ministerie, Perspectief op 2002, zie: <http://www.openbaarministerie.nl/publikat/hetom/perspect99/perspct2.htm>.

[9] Kamerstukken II 2003/04, 28 886, nr. 5, p. 17.

[10] <www.courtroom21.net>.

[11] Een interessante analyse over het gebruik van animaties in de rechtszaal: Narayanan & Hibbin 2001.

[12] Buruma … p. ..

[13] Hof Amsterdam 16 maart 1999, NJ 1999, 455.

[14] Hof Den Haag 22 december 1998, NJ 1999, 258.

[15] Wallace 2004.

[16] Over de noodzaak van dergelijke controle uitgebreid: De Vey Mestdagh, Dijkstra en Oskamp 2002.

[17] Over non-verbale communicatie uitgebreid, Madonik 2002.

[18] http://www.verenigingvoorrechtspraak.nl/weco/255html, advies 255, toegevoegd op 28-01-2004

[19] Lodder, Oskamp & Duker 2000, p. 26.

[20] Van Maanen & Blankenburg 1991, p. 35.

[21] Thian Yee Sze 2004, zie voor een Nederlandse tekst over hetzelfde onderwerp Thian & Lodder 2002.

[22] Februari 2004

[23] Oskamp 2001.

[24] In die zin Lodder, Oskamp & Duker 2000, p. 50.

[25] http://www.iids.org/research/legal_aspects

[26] www.rug.nl/rechten/faculteit/vakgroepen/ rth/rechtenict/onderzoek/anita/

[27] http://www.ilcd.uscourts.gov/ecf.htm

[28] http://www.ncbusinesscourt.net/New/technology/

[29] Bijvoorbeeld Fiselier 1985, Fiselier & Lensing 1995 en Otte 2000.

[30] Zie voor Nederland bijvoorbeeld Oskamp 1998, Duker 2003.

[31] Voor een al wat ouder overzicht zie Tata, Wilson & Hutton 1996.

[32] Duker & Lodder 1999.

[33] Hierbij is gebruik gemaakt van Lodder 2001.

[34] Zie onder meer Stcrt. 1999, nrs. 61-63. POLARIS staat voor Project Ontwikkeling Landelijke Richtlijnen voor Strafvordering. Zie ook de internetpagina van het Openbaar Ministerie <www.openbaarministerie.nl/beleidsregels/dbase/polarfrm.htm>.

[35] www.om.nl/bos

[36] In de eerder genoemde Wob-procedure werd dit ontkent, maar inmiddels erkent op de website waar BOS ter beschikking wordt gesteld.

[37] Zie ook site van het OM: “Het systeem geeft weliswaar stap-voor-stap aan welke vragen beantwoord dienen te worden, maar een fout antwoord of een verkeerde keuze kan betekenen dat de uitkomst onbruikbaar is. Het is vrij eenvoudig om het systeem tot een verkeerde uitkomst te laten komen.”

[38] De Mulder e.a. 1982.

[39] Bain 1989.

[40] Simon & Geas 1989.

[41] Over het redelijk klakkeloos overnemen van een advies van een computertoepassing, Dijkstra 1998.

[42] Schild 1995.

[43] Voor een ander perspectief Franken & Van den Herik 2002.

[44] Potas et al 1998

[45] http://www.judcom.nsw.gov.au/about_the_commission/baltimore_speech.php

[46] Tata, Wilson & Hurtton 1996.

[47] Tata e.a. 2002.

[48] Oskamp 1998.

[49] Reiling 2003.

[50] Duker 2003.

[51] Duker 2003, p. 125.

[52] In die zin ook Bol & Lodder 2003.

[53] Thian & Lodder 2002.

[54] Oskamp & Lodder 2002.