Computer/Law Institute

Vrije Universiteit, Amsterdam

english

mr dr A.R. Lodder
prof. mr H.W.K. Kaspersen

print/download PDF version

eSV? Analyse van artikelen die vanwege het vereiste van ondertekening aan elektronische strafvordering in de weg staan

A.R. Lodder and H.W.K. Kaspersen, Technical Report 1, CLI, 2007.

Managementsamenvatting

Al geruime tijd worden de meeste documenten elektronisch aangemaakt, vervolgens geprint en in fysieke vorm gedistribueerd. Regelmatig scant de ontvanger deze schriftelijke documenten, om zo elektronische verwerking mogelijk te maken. Veel efficiënter is het uiteraard de papieren schakel niet langer te gebruiken. Ook binnen het strafprocesrecht is hier behoefte aan. Er bestaat inmiddels consensus over dat het vereiste van schriftelijkheid niet aan elektronische verwerking in de weg staat. Indien bijvoorbeeld een stuk schriftelijk moet worden ingediend, dan kan dit eveneens langs elektronische weg zoals via e-mail. Onduidelijkheid bestaat echter over de vraag of en zo ja op welke wijze aan het vereiste van ondertekening in een elektronische omgeving kan worden voldaan.

Dit onderzoek gaat in op de vraag of eventuele wetswijzigingen binnen het strafprocesrecht noodzakelijk zijn om aan in het Wetboek van Strafvordering gestelde wettelijke vereisten van ondertekening te voldoen.

Voor wat betreft elektronisch procederen kent het Wetboek van Strafvordering vrijwel geen belemmeringen. In hoofdzaak is voornamelijk de ‘periferie’ van de procedure met ondertekeningsvereisten belast. Waar ondertekening verlangd wordt, is dit in veel gevallen na afloop van een procedure (vonnis, proces-verbaal van een vonnis, plaatsing in inrichting) of aan het begin (de aangifte). Voor vrijwel alle in een dossier opgenomen stukken, behalve het proces-verbaal, lijkt de wet geen nadere eisen te stellen. Deze kunnen dus elektronisch worden opgeslagen en uitgewisseld.

In september 2005 is de Wet elektronische aangiften en processen-verbaal vastgesteld. Hierin is kortweg bepaald dat aan het vereiste van ondertekening voor processen-verbaal in een elektronische omgeving wordt voldaan indien het proces-verbaal verzonden is. Deze verzending dient aan eisen van een nog nader op te stellen algemene maatregel van bestuur te voldoen. Voor elektronisch aangifte is in vergelijkbare zin bepaald dat dit mogelijk is indien aan de vereisten van de hiervoor genoemde amvb is voldaan. In deze wet lijkt voorbij te worden gegaan aan de mogelijkheid documenten te ondertekenen zonder dat deze verzonden worden. Inherent aan aangifte is het communicatie-aspect, maar voor een proces-verbaal is niet direct duidelijk waarom de waarborgen in de elektronische omgeving uit verzending zouden moeten bestaan.

Vanuit wetstechnisch oogpunt is het invoeren van een algemene norm te prefereren boven het per bepaling toevoegen van een frase waarin elektronische ondertekening onder voorwaarden wordt gelijkgesteld aan een handgeschreven handtekening. Toevoeging van de volgende algemene norm aan het Wetboek  van Strafvordering zou hierin voorzien:

Wanneer de wet voorschrijft dat een stuk ondertekend dient te worden kan hieraan langs elektronische weg worden voldaan, mits de toegepaste methode voor authentificatie voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen.

Desgewenst kan in de amvb dan per geval uitgewerkt worden welke authentificatie-methode gebruikt moet worden. Een dergelijke norm kan betrekkelijk eenvoudig voor de verschillende gevallen concreet worden uitgewerkt. De reden hiervoor is dat in hoofdzaak op grond van de wet stukken door het OM en de rechterlijke macht dienen te worden ondertekend. Dit is een op zichzelf beperkte groep van mogelijke ondertekenaars. De wet lijkt nergens ondertekening door de verdachte of zijn raadsman te vereisen. Hiermee is de enige meer onbepaalde groep die van degenen die aangiften doen. Voor deze groep zou het gebruik van DigiD kunnen worden voorgeschreven. In het in voorbereiding zijnde Besluit elektronische aangifte is DigiD bewust niet als vereiste opgenomen, maar wordt wel uitdrukkelijk de mogelijkheid opengelaten DigiD als niet verplicht in te voeren veld op te nemen. Hierdoor is het ook voor toeristen mogelijk elektronische aangifte te doen. Een mogelijk alternatief is om als verplicht veld rijbewijs- of paspoortnummer op te nemen, iets waar behoudens de aangifte van diefstal van identiteitspapieren de betreffende slachtoffers op grond van de Wet (op de Identificatieplicht) over dienen te beschikken.

In het rapport is per bepaling van het Wetboek van Strafvordering een suggestie gedaan over de te gebruiken authentificatie-methode. Hierbij was steeds uitgangspunt de waarborgen die op dit moment aan de ondertekening worden ontleend. Zo zal bij een proces-verbaal een zwaardere vorm van authentificatie gebruikt moeten worden, dan bijvoorbeeld bij de ondertekening van een vonnis.

De zeer algemene formulering “kan hieraan langs elektronische weg worden voldaan” volstaat. Hierbij wordt anders dan in het burgerlijke recht niet als standaard de handgeschreven handtekening genomen. Aangezien de vereisten nader worden uitgewerkt is een dergelijk aan de papieren wereld ontleend referentiekader overbodig. De enkele constatering dat ondertekening langs elektronische weg kan is afdoende, waarbij mogelijk in de toekomst zelfs de nadere vereisten zouden kunnen verdwijnen, namelijk op het moment dat de elektronische ondertekening de standaard is.

Een algemene norm zoals voorgesteld zal er toe leiden dat in ieder geval de wet de mogelijkheid biedt om strafvordering langs elektronische weg te laten plaatsvinden. Hierbij dient dan nog wel bedacht te worden dat in sommige gevallen elektronische ondertekening niet bijzonder zinvol is (zoals bij verlenging hechtenis) en mede om die reden een algemene verplichting voorlopig niet aan de orde is.

Door het opnemen van een algemene norm in het Wetboek van Strafvordering inzake elektronische ondertekening worden de door invoering van de Wet elektronische aangiften en processen-verbaal doorgevoerde wijzigingen overbodig. Voor dit moment is echter uit praktische overweging het meest raadzaam, gezien de onzekerheid waar de deelnemers aan het strafprocesrecht in verkeren, de bestaande recente wijziging van de artikelen 153 en 163 te handhaven. Op korte termijn dient dan naast het reeds in concept gereed zijnde Besluit elektronische aangifte tevens een Besluit elektronisch proces-verbaal te worden opgesteld. Hiermee worden de belangrijkste knelpunten voor elektronische strafvordering weggenomen. Vooruitlopend op een in te voeren algemene norm zou in de toelichting bij deze besluiten kunnen worden opgenomen dat in beginsel er geen belemmeringen zijn ook in andere gevallen elektronisch te ondertekenen. Hierdoor zou bijvoorbeeld de bestaande praktijk van stempelvonnissen voor de elektronische omgeving van een indirecte wettelijke basis worden voorzien.

Het is niettemin aan te bevelen een wetsvoorstel voor de invoering van een algemene norm op betrekkelijk korte termijn in te dienen.

AR Lodder

HWK Kaspersen